
Er sluipt iets binnen in het leven van een mens. Niet met fanfare of sirenes, maar als vocht in een muur. Eerst merkt ge alleen een vage geur, iets muf dat ge niet meteen kunt thuisbrengen. Na een tijdje went ge eraan, zoals aan slecht passende schoenen die na genoeg eelt plots draaglijk lijken. Zo werkt het verval meestal, niet met een mokerslag, maar met beleefde volharding.
Wat begint als een vochtplek, druipt ongemerkt verder tot ge op een ochtend naar beneden kijkt en vaststelt dat ge al enkeldiep in het water staat. Dan komt het besef, niet als inzicht, maar als schadevaststelling. Bij de ene gebeurt dat vroeg, bij de andere later. Sommigen zien het pas wanneer de plinten al loskomen en de meubels beginnen drijven. Weinigen ontsnappen er helemaal aan.
En zodra dat besef eindelijk rijp is, wringt het zich meestal naar buiten ergens rond de zeventig, wanneer de tijd al jaren aan de voordeur stond te bellen en wij te druk waren met rekeningen, plannen en nuttige zorgen om open te doen. Dan verandert spijt in goede raad. Ze komt naar buiten in zinnen als: “Profiteer ervan, zolang het nog kan.” Een klassieker. De mens giet zijn gemiste leven graag in een wijsheid voor iemand anders.
Dan komt het volle besef binnen als een vrachtwagen die zijn lading kiezel in uw hal lost. De tijd staat niet stil. Natuurlijk weten we dat allemaal. We zeggen het zelfs met het gezicht van mensen die iets diepzinnigs hebben ontdekt. Maar weten en beseffen zijn twee verschillende dieren. De jeugd hoort de raad en vertaalt haar naar drank, nachten, lawaai en andere vormen van tijdelijke onsterfelijkheid. Ze weten dat het voorbijgaat. Ze beseffen het alleen nog niet. Dat is het voorrecht van wie nog denkt dat tijd een voorraadkast is.
Pas wanneer ge werkelijk de deur opendoet, leert de tijd u kennen. Hij is geen leraar met bril en krijt, maar een dief met zachte schoenen. Een sluwe vos die u dag na dag laat denken aan morgen. Hoe gaan we dit betalen? Wat als het misloopt? Wie zal zorgen voor wie? Ge leeft vooruit, altijd vooruit, tot ge op een dag achteromkijkt en merkt dat ge vooral met zorgen bezig zijt geweest. Leven, zo blijkt dan, was iets wat intussen naast u had plaatsgenomen en na jaren beleefd maar teleurgesteld weer is vertrokken.
Natuurlijk is er lelijkheid. In overvloed zelfs. De wereld levert dagelijks genoeg vuiligheid aan om een mens levenslang bezorgd te houden. Maar er is ook schoonheid, veel meer dan wij onderweg hebben willen zien. Een boom in goed licht. Een kind dat lacht zonder reden. Een vrouw die koffie zet alsof ze de beschaving nog eigenhandig overeind houdt. En pas laat leren we dat aandacht ook een keuze is. Tegen die tijd hebben we vaak al jaren besteed aan het bestuderen van de barsten in de muur, terwijl het raam openstond.
Nu zult u denken dat wijsheid inderdaad met de jaren komt. Eerst maakt men fouten, daarna herkent men ze, en vervolgens gaat men beter leven. Een nette theorie, geschikt voor kalenders met zonsondergangen. Helaas kent u de mens niet. Zodra hij begrijpt wat hij fout deed, begint hij niet noodzakelijk beter te leven. Neen, hij begint te treuren over de tijd die hij verloor. De jaren die hem resten, besteedt hij dan als een idioot wiens huis net is afgebrand en die tussen de as staat te jammeren over het behang.
Het is blijkbaar moeilijk een les te leren zonder meteen in een andere fout te hervallen. Ik werd daar vandaag nog aan herinnerd tijdens een wandeling. Een man, nors voor zich uitkijkend alsof de wereld hem persoonlijk iets verschuldigd was, struikelde over een tak die achteloos op het pad lag. Wat kan een mens dan anders doen dan helpen? Dus stapte ik naar hem toe. Daar stond hij, met een geschramde hand, niet zichzelf maar de boom te vervloeken. Alsof die eik ’s nachts samenzweringen beraamde tegen gepensioneerde wandelaars.
Yvo heette hij, een zeventiger met het gezicht van iemand die al meer teleurstellingen had verzameld dan postzegels. Hij vloekte nog wat na, maar liet weten dat het allemaal meeviel. Een schram op de hand, wat gekrenkte waardigheid en verder niets dat niet vanzelf weer zou sluiten. Na een kort gesprek gaf hij mij, zoals oudere mannen dat doen wanneer ze even geen sigaret of krant bij de hand hebben, zijn levenswijsheid mee: “Ge zijt nog jong. Geniet ervan, want voor ge het weet zijt ge oud.”
“Tja,” zei ik, “dat lijkt mij een van de minder onderhandelbare gevolgen van leven.”
“Ja, ja,” zei hij, “maar eens ge zo oud zijt als ik, dan ziet ge pas wat ge allemaal gemist hebt. Dan beseft ge dat negenennegentig procent van alles waar ge u zorgen over maakte nergens toe diende. Dat ge zoveel verloren hebt door nooit te zijn waar ge waart.”
“Maar Yvo,” zei ik, “beter laat dan nooit, toch? En bovendien, als ge werkelijk zijt waar ge zijt, dan ziet ge misschien ook die tak liggen.”
“Och manneke,” zei hij, “ge weet niet wat dat doet met een mens, plots beseffen wat ge door uw eigen schuld gemist hebt. Maar ik kan het nog vertellen aan anderen. Misschien maken zij dan niet dezelfde fout.”
“Juist, Yvo,” zei ik. “Maar let ondertussen wel op de takken.”