URL has been copied successfully!

Oorlog en Vrede

URL has been copied successfully!
Oorlog en vrede

Het blijft mij verbazen hoe hardnekkig de mens gelooft dat een emmer woede, omgekieperd over een probleem, dienst kan doen als oplossing. Ge ziet het overal, van gemeenteraad tot gezinsfeest, van parkeerplaats tot parochiezaal. Iemand voelt zich onrecht aangedaan, terecht of niet, en hup, het emmertje wordt bovengehaald. Gal spuit, woorden worden geslepen als keukenmessen, pek en veren staan al klaar in de verbeelding. Daarna kijkt men tevreden rond, alsof men zojuist de beschaving een dienst heeft bewezen.

U kan dit verhaal hier gratis downloaden als .pdf

De werkelijkheid, dat hinderlijke meubelstuk waar men telkens tegenaan loopt, zit anders in elkaar. Woede geeft misschien een kort ogenblik verlichting, zoals krabben aan eczeem dat ook doet. Daarna brandt het harder. Men kapt geen olie op vuur zonder vlammen te krijgen. Voor ge het weet, weet niemand nog wie op wie kwaad werd, laat staan waarom. Er blijven alleen assen over, netjes verdeeld over wat ooit geluk moest heten.

Sonia, een naam die klinkt alsof hij al bij voorbaat als alias werd gekozen, was ooit mijn buurvrouw. Vanochtend liep ik haar toevallig tegen het lijf. Ik had met haar geen rekening te vereffenen, maar ik heb haar ooit kwaad gezien. Niet gewoon kwaad, niet wat gemor aan de koffietafel, maar kwaad zoals een mens kwaad wordt wanneer hij denkt dat God persoonlijk zijn vuilnis verkeerd heeft buitengezet. Het begon met een stoeptegel. Jawel. De beschaving wankelt soms op dun beton.

Haar buurman, mijn achterbuurman Gust, was een man die het woord tuinonderhoud te zwak vond voor zijn roeping. Regen of zon: er werd gesproeid. Hoog of laag: er werd gemaaid. Als een kleine amateur dictator zonder leger, maar met tuinslang, dirigeerde hij het groen rond zijn woning. Hij bepaalde wat mocht groeien, waar het mocht groeien, en vooral hoe hoog. Wee de struik die zijn toegewezen grens overschreed. Snoeischaar, bijl of kettingzaag spraken dan de taal van het regime.

Maar macht, eenmaal geproefd, wil uitbreiding. Dat leert de geschiedenis, en ook de volkstuin. Gusts blik gleed over zijn eigen grenzen heen en bleef hangen op de oprit van Sonia. Ge kent dat soort opritten wel, betonnen stoeptegels op aangestampt zand, een armoedig compromis tussen orde en verzakking. De voegen vormen er een kermis voor verdwaald onkruid. Paardenbloemen, gras en kleine boompjes schieten er op met een ijver die bij mensen doorgaans alleen op belastingformulieren wordt verlangd.

Men kon Sonia geen nalatigheid verwijten. Zij werkte hard en voerde ongeveer om de twee weken haar kleine oorlog tegen de wildgroei. Met patattenmes, hark en groene bak trok zij ten strijde. Zij sneed tussen de voegen, harkte de slachtoffers bijeen en gaf ze vervolgens een waardige begrafenis tussen ander gemeentelijk plantenafval.

Niemand had daar ooit opmerkingen over gemaakt. Er waren buren die hun oprit jaarlijks behandelden, anderen maandelijks en Sonia, die brave martelares van het voegwerk, tweewekelijks. Maar regen en zon, die twee oude samenzweerders, kunnen in korte tijd wonderen verrichten. Valt zo’n periode dan samen met iemands welverdiende vakantie, dan kan het gebeuren dat het onkruid een centimeter of wat te veel zelfvertrouwen krijgt voordat het weer met wortel en tak wordt verwijderd.

Ge voelt het al aankomen. Voor Gust, de heerser van het kort gemaaide rijk, was dit geen onkruid maar een provocatie. Een klein berkje had tijdens Sonia’s verlof de euvele moed gehad een tiental centimeter hoog te worden. Op zichzelf is dat geen misdaad, groeien is nu eenmaal de enige ambitie van een boom. Maar het deed dat op minder dan twee meter van Gusts perfect getrimde hof. Het benam hem uitzicht, rust, slaap en vermoedelijk ook de overtuiging dat er nog rechtvaardigheid bestond.

Wie voorbij wandelde, zag hem staan. Niet kijken, maar staren. Naar die tegels, naar dat berkje, naar het verval van het Westen. Als vriendelijk mens zegt ge dan iets onschuldigs. ‘En Gust, uwen hof ligt er weer pico bello bij.’

Onder normale omstandigheden deed zo’n zin hem glanzen als pas geboende koper. Nu niet. Hij trok een gezicht alsof hij azijn had ingeademd, wees naar het berkje en zei: ‘Ge zoudt toch verwachten dat dat mens die struik uittrekt. Maar neen. Binnenkort staat mijn gras vol van die vuiligheid.’

Ik weet wanneer ik mijn bek moet houden. Dat is geen wijsheid, hoogstens zelfbehoud. Ik haalde mijn schouders op en wandelde verder. Toen ik de dag daarop Gust opnieuw voor Sonia’s stoep zag staan, met een blik waarmee men ratten niet alleen doodt maar ook postuum beledigt, stak ik de straat over. Vijf dagen heeft Gust gewacht. Daarna brak de staat van beleg.

Oorlog en vrede tussen stoeptegels

Ik heb het zien gebeuren. Hij keek naar de stoep alsof de duivel zelf daar met een groen sprietje uit de hel omhoog kwam. Hij verzamelde zijn moed, veel was er niet nodig, het doelwit was dertien centimeter hoog en stapte op het boompje af. Net toen Sonia met haar wagen kwam aangereden. Zij stopte, parkeerde langs de weg, stapte uit, gebruind als een matroos met verlof en met een zonnebril op die een mens van Hawaï doet droomen. Ze schoof die bril op haar voorhoofd en keek verbaasd in mijn richting.

Intussen had Gust het berkje bereikt. Hij greep het vast met de ernst van een veldheer die de laatste vijandige vlag neerhaalt, zuchtte hoorbaar van voldoening en gaf een ruk. Het boompje kwam los. Met wortel. met aarde en met tegel. De tegel wipte op, maakte een kleine, belachelijke salto, viel neer met een klank die beton gebruikt om bezwaar aan te tekenen, en brak in twee stukken.

‘Hé, verdomme,’ riep Sonia, ‘wat doet gij nu?’ Zij riep vooral uit schrik. Dat is begrijpelijk. Niet elke dag treft men zijn buurman aan terwijl hij, in naam van het gazon, uw oprit begint te slopen.

Gust besefte intussen zijn misdaad. En zoals tirannen doen zodra zij betrapt worden, ontkende hij de schuld, hield hij zijn gelijk overeind en kroonde hij zichzelf tot overwinnaar van een slagveld dat hij zojuist zelf had aangelegd.

‘Awel,’ zei hij hard, te hard, ‘ge ziet wat ervan komt als ge uw onkruid niet op tijd wilt wieden.’ Het klonk minder als aanval dan als iemand die een paraplu opent nadat hij al nat is.

‘Maar,’ zei Sonia, ‘mijn oprit.’ Dat klonk niet eens zozeer verontwaardigd om die gebroken tegel. Achteraan onder de haag had ze er nog een stuk of twintig liggen. Het was vooral verbazing over de brutaliteit waarmee een mens een tegel breekt en vervolgens doet alsof hij een monument heeft gered.

‘Uw oprit, uw oprit,’ zei Gust, bij wie de landsverdediging nu onder stoom kwam. ‘En mijnen hof dan? Jaren heb ik gelabeurd voor dienen hof, en gij hebt er gratis en voor niets het geniet van. Daar hoor ik u niet over klagen. Maar zelf een beetje meehelpen, ho maar. Gewoon het onkruid uitdoen zodat het niet in mijnen hof waait, dat is te veel voor madam.’ Ja, beste lezer, vanuit uw stoel klinkt het overdreven. Maar sommige waanzin moet men van dichtbij meemaken om haar volle administratie te begrijpen.

Wanneer een mens vreest terecht beschuldigd te worden, doet hij zelden wat eenvoudig is, namelijk zich verontschuldigen en herstellen wat kapot is. Dat zou te menselijk zijn. Neen, hij valt aan. De beste verdediging is immers de aanval, vooral voor wie geen verdediging heeft.

Sonia hoorde de toon en voelde haar eigen bloed beleefd maar beslist koken. Ze plantte haar knuisten in haar zij en marcheerde op Gust af.

‘Awel, meneer,’ zei ze, ‘dat is huisvredebreuk. Zomaar op mijnen hof komen. En vandalisme, mijnen oprit opbreken. En uwen kuttuin kan mij gestolen worden.’

Ik zal u de rest van het gekrakeel besparen. De weken daarna gingen van moeizame wapenstilstand naar onverdroten aanval. Scheldwoorden verschenen op gevels, distels en ander veldgewas werden met strategische precisie in tuinen gezaaid, er werd geroepen, getierd, bemiddeld, onderhandeld en opnieuw geschonden wat men vijf minuten eerder bestand had genoemd.

Uiteindelijk moest het gerecht eraan te pas komen, na enkele interventies van de politie, opgetrommeld door buren die begonnen te vrezen dat een stoeptegel de aanzet kon zijn tot een nucleaire winter.

Dus zag ik Sonia vanochtend terug, zoals gezegd, en vroeg haar hoe het met haar ging. Prima, zei ze. Inmiddels gescheiden, hertrouwd en naar de stad verhuisd, waar het onkruid tenminste gemeentelijk beheerd wordt.

‘Dan hebt ge geen last meer van een overijverige tuinier,’ zei ik. Ze lachte even.

‘Neen,’ zei ze, ‘god, wat was dat een klier van een mens. Blij dat ik hem niet meer elke dag hoef te zien sproeien en gieten, schoffelen en scheren.’

‘En tegels stuksmijten,’ vulde ik aan. Ze keek me aan alsof ik haar meedeelde dat de zon voortaan groen was en op afbetaling verkrijgbaar.

‘Tegels?’ zei ze. ‘Daar weet ik niets van.’

U kan dit verhaal hier gratis downloaden als .pdf

Geef een reactie

Deze website gebruikt cookies. Door deze website te gebruiken gaat u hiermee akkoord  Meer info