URL has been copied successfully!

De wereld van Frans Kindermans (deel 1)

URL has been copied successfully!

I. Een nieuwe baas (deel I.I de ochtend)

De wereld van Frans Kindermans

Frans Kindermans was doorheen de jaren meermaals uitgewist en herschreven, als een tekst op een oud schoolbord. Het zwarte bord was dof geworden van krijtstof en slordige handen, en hij was steeds minder leesbaar geworden. Maar dat is geenszins een uniek gegeven. Ge kunt hetzelfde zeggen van zowat iedereen om u heen, uzelf inbegrepen.

Na enig proefrijden met een lief hier en daar, had hij op zijn vijfentwintigste uiteindelijk gekozen voor Maria. Het soort middenklasse model dat zowel comfort als veiligheid bood, degelijk afgewerkt en zonder gevaarlijke verrassingen. Niet oogverblindend, maar aangenaam voor het oog en handelbaar in de omgang. En zoals dat past hadden ze na enkele jaren sparen en een stevige kapitaalinjectie van beide ouders, een eigen huisje geplant, ergens in de voorwijken van een middelgrote stad.

Het was geen exuberant groot huis, gewoon, een gezinsvriendelijke woning, voorzien van de voornaamste gemakken, met een tuin, een tuinhuis, een dennenhaag om de buren op afstand te houden en een boom, een treurwilg, voor wat schaduw in de zomer. Destijds was het nog een relatief klein boompje, maar nu, meer dan twintig jaar later, was het een gedrocht geworden dat half hun gazon had ingelijfd.

Geheel volgens aloude Vlaamse traditie en verwachtingen, hadden ze twee kinderen, een zoon van twintig die iets met computers studeerde aan de universiteit en een dochter van achttien die iets in kunst ging studeren in de stad. Twee onhebbelijke pubers, of jongvolwassenen zoals dat vandaag de dag genoemd wordt, die eveneens volgens verwachting en traditie rebelleerden, opstandig waren, maar gelukkig en geborgen thuis leefden.

Maria was onderwijzeres in de lagere school in het dorp, als boerendochter de hoogste ambitie die haar toegestaan was, al had ze beduidend meer in haar mars, iets wat ze zelden naliet duidelijk te maken. Frans was hoofd administratie bij een stadsdienst, een job die hem meer energie kostte dan hij kon opbrengen. Maar wat kan een mens doen, men moet voortgaan, zwijgen tot men zweet en aftellen tot het pensioen, wanneer de zalige rust eindelijk voor de deur staat en hopelijk de moed heeft om aan te bellen.

Het klinkt misschien allemaal als een kil cliché, en geloof me, dat is het ook, maar de onderliggende realiteit was zo slecht nog niet. Ze hielden oprecht van elkaar, al hadden ze daar geen vertoon voor over. Hun leven was goed, er was altijd eten op tafel, een spaarcent voor onvoorziene zaken op de bank en alle comfort dat men redelijkerwijs kon verwachten, lag voor het oprapen als winkelwaar in rekken.

Frans zijn dagen begonnen steeds op dezelfde manier. Een soort onbewuste routine die de zon naar boven trok en de maan achter de horizon verdreef. Hij stond op voor dag en dauw, stapte voorzichtig uit bed om Maria niet te wekken, stak zijn voeten in zijn pantoffels en slofte zo stil mogelijk naar de badkamer.

Zijn eerste stop was het toilet, een onvermijdelijke voorziening waarvan de dringendheid met de jaren minder bescheiden was geworden. Dan poetste hij zijn tanden, trok een joggingbroek aan en een oude T-shirt en liep stil naar beneden, de nachtrust van vrouw en kinderen indachtig. Het was dan meestal rond de klok van vier. Hij was een kortslaper. Daar viel niets aan te verhelpen.

Beneden zette hij de koffiezet aan, zo een apparaat waarin men boven de bonen kiepte, vervolgens op een knop drukte om even later, als ge niet vergeten waart er een tas onder te zetten, een dampende schuimende koffie zag verschijnen. Hij had nu minstens twee en meestal drie uurtjes voor zichzelf alleen. Hij en zijn koffie stapten dan naar buiten, zomer of winter, en gingen zitten aan de tuintafel. Daar genoot hij van de frisse lucht, de dampende koffie en een eerste sigaret. Het was zijn eigen bescheiden manier om de wereld kenbaar te maken dat hij klaarstond voor een nieuwe dag.

Ge kunt natuurlijk denken, als ge hem zo ziet zitten, dat het een mens is die in de vroege ochtend de zonsopgang komt begroeten, mediterend of filosoferend over het leven. Maar Frans had daar de kop niet voor. Het was niet meer dan het was, koffiedrinken en een sigaret roken, wakker worden en even de gruwelen die hij van de dag verwachtte proberen te vergeten. Tien minuten later stapte hij terug binnen, recht naar het gastentoilet beneden. Koffie en sigaretten hadden ’s ochtends steevast die uitwerking op hem.

Zijn volgende ochtendtaak was het openen van gordijnen en rolluiken. Ook dat was een vast ritueel. Het gebeurde volgens een onbewuste maar rigide volgorde die niemand hem had opgelegd, maar die om een of andere reden onmogelijk overtreden kon worden. De rolluiken voor aan het huis werden dagelijks om tien uur naar beneden gelaten. Een fatsoenlijk uur om aan te geven dat men niet meer bereikbaar was voor de wereld. Hetzelfde moment werd gebruikt om de gordijnen voor de grote schuiframen aan de achterkant dicht te doen. En elke ochtend, zo rond halfvijf, opende Frans het huis weer voor de wereld, alsof hij persoonlijk instond voor het heropenen van de beschaving.

En dan was het tijd voor zijn ontbijt. Hij at geen vreemde zaken, gewoon een paar boterhammen met nog een tas koffie, terwijl hij, nu de rolluiken toch open waren, het nieuws van de wereld binnenliet komen via zijn tablet. Hij vroeg zich soms af waarom hij nog nieuwssites las, goed nieuws viel er zelden te rapen en slecht nieuws kwam meestal binnen in een eindeloze herhalingen. Maar ja, een mens moet toch mee zijn met de tijd en kunnen meepraten aan de koffiemachine op het werk.

En tegen half zes liep zijn ik-tijd ten einde. Hij slofte terug naar de badkamer, nam een douche en legde zijn dagelijkse uniform klaar. Een grijs kostuum met een wit hemd, bruine schoenen, propere onderbroek en sokken en een plastron in een blauwgrijze kleur, die een mens alleen uit plichtsbesef kon appreciëren. Grijze kostuums, witte hemden en vaalgrijze blauwachtige plastrons, hij had er een kast van vol.

Nog even scheren, een royale portie deo en aftershave aanbrengen, aankleden en voilà, hij zag eruit als een ander mens. Serieuzer, robuuster en klaar om de broekspelden om te doen, op zijn fiets te stappen en naar het werk te vertrekken. Tenminste, nadat hij fruitsap voor zijn eega en kinderen geperst had, zijn brooddoos gemaakt had en zijn boekentas had klaargestoomd om de dag aan te vallen.

Eens hij aan die dagelijkse verplichtingen voldaan had, ging hij Maria wekken. Ook dat was een delicate aangelegenheid. Alhoewel ze een vriendelijke en begripvolle vrouw was, stond die modus tijdelijk uitgeschakeld in de ochtend. Omzichtig streelde hij haar gezicht, klaar om zijn hand terug te trekken mocht ze bijten. Eens hij, door gegrauw en gesis heen, overtuigd was dat ze echt wakker was, sloop hij de kamer uit, liep naar de garage, nam zijn fiets, bond er zijn boekentas achterop en vertrok. Een halfuurtje fietsen naar kantoor, een halfuurtje inspanning om daarna zijn eerste werkkoffie te drinken en langzaam op toeren te komen voor de dag.

Even voor zeven, klokvast als hij was, veegde hij zijn badge over de scanner en stapte hij binnen. Het was het soort moderne inkomhal, hoog, veel te groot en voorzien van glas langs alle kanten. Alsof openheid van bestuur geveinsd kon worden door architectuur en een welwillende aannemer. Het was een dagelijkse gedachte die opkwam telkens hij door dat poortje stapte. Na vele jaren dienst wist hij wel beter. Ze hadden er beter dikke betonblokken voor gebruikt. Die bitterheid kwam op, deed haar werk en zakte even snel weg, eens hij de balie voorbijgelopen was.

Hij nam de trap, bewust als een man die zijn gezondheid ernstig neemt, ook wanneer er niemand is om het te zien. Elke stap telt mee, had hij iemand ooit horen zeggen. Het was zo een los zinnetje dat nergens thuishoorde en ergens in zijn schedel was blijven kleven. Dus hij nam de trap, drie verdiepingen naar boven. 104 traptreden, exact. Hij telde ze meestal af in zijn hoofd, alsof ze het zouden aandurven deze onveranderlijke omgeving te verraden en de vaste orde der dingen te krenken.

Aangekomen op de derde verdieping, gebruikte hij zijn badge opnieuw om de deur te openen. Beveiliging was blijkbaar belangrijk in een relatief nieuw gebouw vol stoffige burelen. Niet dat er veel te rapen viel, met uitzondering van een berg oud papier, wat verouderde computers en een kostelijke voorraad onzin. Tenminste, zo bekeek Frans de zaken. Wat hem betrof mocht elke geschoolde of ongeschoolde inbreker zijn werk komen stelen. Rouwen zou hij er niet om.

Hij opende de deur en keek de gang in. Op de derde verdieping zaten de directies van de groendienst, de technische diensten, de aankopen en de administratie samen. Een kluitje diensten die iedereen nodig had, maar niemand in het zicht wilde hebben. Hun gebouw stond verstopt achter het station, een vijfhonderd meter verder dan het stadhuis zelf, waar de belangrijke diensten te vinden waren, diensten die wel een grootse en zichtbare gevel verdienden. Diensten zoals burgerzaken, de politie, stadsarchitectuur en alles wat een naam had die beter bekte dan administratie.

Hij stapte door de gang, maakte zijn eerste stop in het keukentje voor een grote mok verse koffie en stapte dan naar zijn bureel. Tot zijn verbazing zag hij dat hij niet als eerste aanwezig was. Dat was immers een jarenlange traditie, een prestatie waar hij fier op was, om als eerste de directieverdieping binnen te stappen. Om het ‘licht aan te steken’, alsof iemand hem daartoe had aangesteld. Maar kijk, op het einde van de gang lag het grote kantoor van de dienstmanager, Stefan, hun directe baas die slechts een stapje onder de stadsmanager stond. Er brandde al licht en de deur stond halfopen.

Wel verdorie, dacht Frans, hoe kan dat nu? Die mens komt normaal voor negen uur zijn bed niet uit en heeft nog nooit voor tien uur de morele kracht gevonden om hier aanwezig te zijn. Zou er iets gebeurd zijn? Snel stapte hij verder, duwde de deur helemaal open en zei:

‘Stefan, is er iets gebeurd man?’ Maar terwijl hij het uitsprak zag hij zijn fout. Naast het bureel stond een lange slanke dame, het soort vrouw dat ge verwacht in een of andere serie, maar zeker niet in een administratief kantoor van de stadsdiensten. Ze was zeker een meter zeventig groot, een jaar of veertig, goed verzorgd met een dikke dos schouderlang donkerbruin haar. Maar ze was zeker niet Stefan,wat op dat moment het meest opvallende aan haar was

‘Wie, wie bent u?’ vroeg Frans, plots aarzelend, alsof hij betrapt was op een plaats waar hij niet hoorde te zijn.

‘Ah, goedemorgen, ik ben Sonja, Sonja Dehaes, de nieuwe dienstmanager’ haar glimlach leek echt genoeg om hem te doen twijfelen, ze legde het stapeltje papieren dat ze aan het doornemen was neer, stapte naar hem toe en stak haar hand uit. ‘En jij bent?’

‘Euh… Ik ben Frans, euh, Frans Kindermans, hoofd administratie’ antwoordde hij, helemaal uit zijn dagorde geslagen door deze onverwachte verandering. ‘En…en Stefan, als ik het mag vragen?’

‘Tja, Stefan’ antwoordde ze terwijl ze hem de hand schudde, ‘Stefan is overgeplaatst. Er waren geruchten… enfin, er is een onderzoek gestart en hij is voorlopig overgeplaatst naar een… minder gevoelige plaats’ ze sprak met de voorzichtigheid van een politicus. Veel insinuerend, niets verhelderend en vooral niets bevestigend. Het gaf Frans rillingen op zijn rug.

Niets kan een dag driester op zijn kop zetten dan een onverwachte verandering. Frans had nog even met Sonja staan praten, maar was er weinig wijzer van geworden.  Veel woorden maar weinig inhoud, het soort gesprek dat plichtmatig en vriendelijk gevoerd werd tussen twee mensen die elkaar geen greintje informatie gunnen.  Aan de oppervlakte sereen en helder, onderwater vol turbulenties die ge enkel kon voelen wanneer ge zelf in dat water ligt te spartelen.

Zo rond acht uur begonnen de eerste collega’s binnen te stromen. Frans, als eerste profeet van het nieuws, had zich teruggetrokken in het keukentje.  Die had de ideale akoestiek voor het soort mededelingen dat nog geen officiële vorm hadden aangenomen.  Stefan was weg. Niet dat Stefan gemist zou worden omwille van zijn werk, velen vroegen zich al jaren af wat hij eigenlijk deed behalve zo nu en dan een handtekening zetten onder de papieren die ze hem voorlegden.  Maar Stefan was geliefd.

Stefan had een zekere ‘flair’ met mensen. Hij maakte vrienden van iedereen, zag zaken door de vingers die anderen als bron van tuchtmaatregelen gezien zouden hebben. Hij werd werd zelden boos.  Hij kende Jan en alleman, kende de namen van partners en kinderen en sprak nooit met ook maar een zweem van een oordeel.  Hij mocht dan al veel afwezig zijn, iedereen had hem graag. Een man zonder kapsones die hen met rust liet.  Wat deze ‘Sonja’ zou brengen, dat was het grote vraagteken.

En op dat vraagteken zou een antwoord gegeven worden, ergens rond tien uur. Heel de verdieping van hoofden en adjuncten en zelfs secretarissen en secretaressen werd verwacht in de grote vergaderzaal. Daar zou tekst en uitleg gegeven worden, zo hadden ze allemaal kunnen lezen in een nietszeggende email die verdacht vroeg verstuurd was. Vroeg genoeg om een officieel gewicht te hebben, laat genoeg om niemand echt gerust te stellen

Tot dan, hadden ze de vrijheid gehad om zelf aanleidingen en gevolgen te bedenken. En zoals ambtenaren eigen is, werd de fantasie die normaal doorheen de dag achter slot en grendel gehouden werd, de vrije loop gelaten. Zo rond vijf voor tien, vlak voor het begin van de vergadering, deden de wildste verhalen de ronde.  Stefan zou geld gestolen hebben, een affaire hebben met de secretaresse van de burgemeester, de lotto gewonnen, verdacht worden van een crimineel feit, opgepakt door de politie in de stad of in het ziekenhuis liggen te verkommeren.  Het aanbod onzin was groter dan wat behoorlijk geacht kon worden, maar als bloemlezing van verhalen die op enkele uren ontstaan waren, kon het wel tellen.

Sonja was nog de grote onbekende in het verhaal.  Alleen Frans had haar gezien, daarna had ze haar deur gesloten. De verhalen over haar waren korter en droegen merkelijk minder kleren.  Onbekend is immers onbemind, al heeft dat de verbeelding zelden tegengehouden.  En terwijl iedereen naar de grote vergaderzaal liep, werden verhalen en veronderstellingen onderling nog wat aangedikt.  Als een bende schoolkinderen gingen ze rond de tafels zitten, wachtend op Sonja, die duidelijkheid zou komen verschaffen.


Het vervolg kunt ge binnen enkele dagen verwachten (via substack krijgt het gratis in uw mailbox, dat kost u niet meer dan de moeite om even een gratis abonnement te nemen)

Dit verhaal zal niet als gratis download beschikbaar zijn in het winkeltje

Ge kunt het wel volgen via Substack

Geef een reactie

Deze website gebruikt cookies. Door deze website te gebruiken gaat u hiermee akkoord  Meer info