
Zoals ge waarschijnlijk wel weet, werk ik sinds een jaar of vijf in een psychiatrische zorggroep. Dat is fijn, dat klinkt netjes. Zo kan een mens met enige mildheid voor zichzelf het warme gevoel hebben iets bij te dragen voor hen die het echt nodig hebben. Maar dat is, met momenten, ook goed voor leuke grapjes. En die zijn waarschijnlijk de belangrijkste bijdrage die we aan onze omgeving leveren. Twee keer een warm gevoel dus.
Zo zag ik gisterenavond Martha lopen. Martha is de moeder van een vriendin van een van mijn kinderen. Ik zie haar tegenwoordig wel vaker, nu we iets dichter bij elkaar wonen. Maar een jaar of vier geleden, op het schoolfeest van mijn jongste, was het lang geleden dat ik haar gezien had. En ge weet dat ik een babbelkous ben, dus we hebben heel wat zitten tetteren met elkaar. Dat begint meestal onschuldig, maar voor ge het weet krijgt het handen en voeten en wordt zo’n gesprek meer dan wat vriendelijk omgaan met elkaar.
Zoals dat meestal gebeurt, sluiten tal van andere ouders en bekenden al vlug aan en vormt ge een soort bende midden op de speelplaats. Op dat gebied zijn we nog geen haar veranderd tegenover de tijd dat we er zelf nog rondliepen. Alleen de knieën zijn wat strammer geworden en de praatjes wat duurder.
En dan vroeg Martha mij: ‘En, waar zit ge nu?’ Ik antwoordde, volstrekt onschuldig, met de naam van de instelling. ‘Oei’, zei ze, plots duidelijk ongemakkelijk. De groep rondom mij begreep direct wat er aan de hand was en deed wat groepen in dergelijke omstandigheden meestal doen. De lippen stijf op elkaar houden en proberen om niet te lachen. Of toch minstens niet luidop.
‘En, euh… zit ge daar al lang?’ vroeg ze bedeesd, niet goed wetende hoe ze zichzelf een houding moest geven. Beleefdheid is soms niet veel meer dan paniek met schoenen aan. Maar weglopen kon ze niet meer. Nog zo een voordeel van een groep om u heen te hebben.
‘Oh’, antwoordde ik onschuldig, ‘toch al een goed jaartje of zo.’ Er viel een stilte, en blijkbaar was die moeilijk te dragen. Stiltes wegen immers altijd zwaarder wanneer ge iets misbegrepen hebt.
‘Maar ’t is toch fijn dat ze u dan vandaag naar hier hebben laten komen.’ Haar ongemak begon nu echt gewicht te krijgen, maar ze zag er vastberaden uit, als een echte katholiek die het aardse onbehagen verdraagt door het vooruitzicht op de hemel.
‘Ja’, antwoordde ik, zo neutraal als ik kon, ‘het is daar best een vriendelijke omgeving.’ Ook ik liet de stilte wat uitdeinen. ‘Veel groen, groot park, mooi om te wandelen’, voegde ik er uiteindelijk aan toe. Ge voelde de vraag in de lucht hangen, samen met de weerzin om ze te stellen. Als een verloren muts, die niemand wilde oprapen.
‘En hoe… Hoe is dat zo gekomen? Hoe zijt ge daar terechtgekomen?’ De moeite die ze had om haar stem vlak te houden was aandoenlijk.
‘Tja’, antwoordde ik, ‘hoe komt zoiets’, en weer liet ik de stilte haar werk doen. Dat is het voordeel van stilte, ge hebt er geen stielkennis voor nodig. Ze doet alle werk zelf. ‘Het is eigenlijk allemaal begonnen met de gazet.’
‘De krant?’, vroeg ze verbaasd. ‘Hoezo?’
‘Wel’, ging ik verder, ‘daar stond een advertentie in.’
‘Een advertentie?’, vroeg ze terwijl ze wat dichterbij schoof. Haar nieuwsgierigheid had het gewonnen van haar onbehagen. Dat overkomt mensen vaker dan ze zelf graag toegeven.
‘Ja’, zei ik, ‘een advertentie, en daar heb ik dan op gereageerd en daar is dit allemaal mee begonnen.’
‘Maar welke advertentie dan?’, vroeg ze met grote aandrang. Had ik langer gewacht, waren er ongelukken gebeurd, denk ik. De groep om ons heen kon zich niet meer inhouden, wangen stonden op barsten en tranen begonnen over wangen te bengelen. Het was tijd om de grap te laten landen.
‘Awel’, antwoordde ik, ‘diensthoofd aankoop gezocht. En zo ben ik daar terechtgekomen.’