
Ge kent dat wel, vakantie. Ik hoop het toch. Ik geniet er nu een weekje van, al moet ge dat genieten best tussen aanhalingstekens bewaren, zoals men augurken bewaart, zuur, nat en voor later gebruik. Boodschappen, grasmaaien, klusjes, containerpark, kinderen vervoeren alsof ge een kleine busmaatschappij zonder vergunning zijt. Veel vrije tijd blijft daar niet van over. En dan moet de inpakwoede nog beginnen. Zelfs een daguitstap vraagt tegenwoordig meer materiaal dan een expeditie naar een bergtop met slechte vooruitzichten.
En als ge dan eens een paar minuten voor uzelf vindt, ergens tussen de patatten schillen en de afwas, dan maakt ge dat ge weg zijt. Een wandelingetje, zeg ik dan. Alsof het om een onschuldig uitstapje gaat en niet om een kleine ontsnapping uit een instelling waar iedereen uw naam kent. Met een beetje geluk en wat laffe planning vergeet ge uw gsm. Zalig. Niemand kan u bereiken. En niemand kan u iets vragen. Niemand kan roepen dat er een handdoek, oplader, drinkbus of morele steun ontbreekt.
Maar dan komt mijn eigen stommiteit op kousenvoeten aangewandeld. Wie te dicht bij zijn werk woont, en ik woon er geen vijfhonderd meter vandaan, denkt op werkdagen dat hij verstandig gekozen heeft. In de vakantie blijkt dat vooral een geografische valstrik. Ge zijt zogezegd onvindbaar, los van kroost en echtgenote, en daar staat ineens iemand van het werk. Hij heeft geen verlof. Hij ruikt nog naar zijn mailbox, het flikkerende tl-licht en de onopgeloste dossiers.
Ge weet dan al hoe laat het is, ook zonder uurwerk. Eerst verliest ge een kwartier met antwoorden op vragen die blijkbaar geen twee weken konden wachten, hoewel ze al sinds april lagen te schimmelen in iemands hoofd. Daarna volgt een tweede kwartier gratis hulpverlening. Klachten, zuchten, organisatorische etterbuilen die op straat worden opengeknepen. Als ge geluk hebt, vindt ge een uitvlucht die niet te duidelijk naar paniek ruikt. Iets met thuis of iets dringend. Iets dat men niet kan controleren zonder onbeleefd te worden.
En dan komt hij, natuurlijk. De jaloerse blik. De zin die ieder werkend mens met verlof ooit als een natte dweil in het gezicht krijgt: “Gelukzak. Gij kunt rusten. Lekker ontspannen. Wij zullen wel werken.” Op dat moment voelt ge in uzelf iets bewegen dat in een beschaafde samenleving beter achter slot blijft. Ge zoudt hem de nek kunnen omwringen. Ge doet het niet. Niet uit deugdzaamheid, maar omdat het gevangeniswezen ook maar een tweederangs vakantie aanbiedt, en dan nog zonder terras.
Tegen dat ge eindelijk van die levende agendaherinnering verlost zijt, zijt ge drie kwartier ouder en anderhalve dag korter van geest. Thuis zijn de patatten tot behangpap herleid en zit de rest van het gezin op een temperatuur waarbij water voorzichtig begint te overwegen om te verdampen. Ge komt binnen en krijgt het onthaal dat een deserteur verdient. “Kunt ge uw telefoon niet meenemen? Waar dient dat ding anders voor?” “Papa, kunt ge mij naar xyz brengen? Het is te warm om te fietsen.” “We moeten nog dit en dat halen voor morgen. Eerst dat.”
Wie heeft er eigenlijk beslist dat vakantie ontspannend moet zijn? Als ik hem ooit vind, zal ik hem zeer vriendelijk bedanken, hem een strandstoel aanbieden, zijn agenda vullen, vier kinderen naast hem zetten, zijn telefoon laten verdwijnen en hem daarna vragen of hij zich al wat beter voelt. Wat een buitengewoon gemeen mens moet dat geweest zijn.
Weekteksten kunt ge als steeds hier downloaden
Ge kunt alles nu ook volgen via Substack (voor de liefhebbers van dat medium)