
Als ge de post over de school als personeelsdienst gelezen hebt en er de commentaren wat gevolgd hebt, dan hebt ge het net als ik ook gemerkt, de grote angst voor AI is levend en wel. Ze sloop door de reacties heen als vocht onder een deur. Die AI-machine lijktgans ons leven te gaan overnemen. Onze kinderen zullen niet meer zelfstandig kunnen nadenken. Werk wordt overbodig en inkomen verdwijnt. De mens wordt een soort vreemd huisdier met een abonnement.
Aan de ene kant staan er de zogenaamde visionairs, dat soort mensen als Altman en Musk en ander duur volk met veel te veel schermen in hun kamer. Zij vertellen ons dat werken uiteindelijk zal verdwijnen. Dat wij dan alleen nog moeten leven, genieten, wandelen, scheppen, ademen en vermoedelijk ook ergens een formulier invullen om dat allemaal mogelijk te maken. Alms dat geen fraai toekomstbeeld is. Hoe we dat dan moeten betalen, dat laten ze wijzelijk in het midden. Er komt volgens hen een nieuw hof van Eden, maar dan eentje met laadkabels, privacyvoorwaarden en aandeelhouders.
De cirkel is dus bijna rond. We werden uit het aards paradijs gegooid omdat we aan de vruchten van kennis hadden gezeten. En nu zou diezelfde kennis, opgepompt in datacenters en gekoeld met halve rivieren, ons er weer terug naar binnen gaan brengen. Het klinkt mooi. En dat is doorgaans het moment waarop men best even naar de uitgang kijkt om een vluchtweg voor te bereiden.
Aan de andere kant staan de mensen zoals u en ik, met genoeg geschiedenis in het hoofd om te weten dat een mens er zelden beter van wordt wanneer hij zijn verstand in de kast legt. Wij vrezen dat, wanneer wij ons nadenken uitbesteden, het denken zelf langzaam verschrompelt. Dat we straks, zodra al die toestellen zwijgen, weer proberen rond te lopen als kevers op hun rug, met veel spartelende poten en weinig beweging of richting. Want niets duurt immers eeuwig. Zelfs de overtuiging dat iemand anders het wel weer zal oplossen is niet eeuwig.
Maar is AI daarom de grote bedreiging waar we voor staan? Wie een beetje naar de bredere geschiedenis kijkt, weet dat elke nieuwe technologie eerst als een monster door het dorp wordt gedragen, met emmers pek en zakker veren bij de hand. Bij de komst van de eerste trein dacht men dat koeien zure melk zouden geven. Bij de komst van de computer zouden alle jobs gaan verdwijnen. De koeien zijn blijven loeien en hun melk stroomt guller dan ooit. De computer heeft inderdaad de wereld grondig verbouwd, maar hij heeft hem niet opgegeten. Hij heeft oude beroepen naar het kerkhof gedragen en nieuwe uit de grond gestampt, soms nuttige, soms met functietitels die alleen in vergaderzalen gezond klinken, maar uiteindelijk zij we met meer mensen aan het werk dan ooit tevoren.
Met AI zal het vermoedelijk niet anders zijn. Er zijn gevaren, natuurlijk zijn die er. Wie diat ontkent, moet niet gerustgesteld worden maar even worden nagekeken. Maar angst is, zoals steeds, ook hier een slechte raadsman. Hij praat te snel, hij zweet te veel en heeft zelden een doordacht plan. Waakzaamheid daarentegen is iets anders. Die kijkt eerst even waar de machine staat, wie de stekker vasthoudt en waarom er onder het bureau zoveel kabels naar dezelfde portefeuille lopen.
Het probleem is, zoals meestal, dat we te weinig begrijpen van wat er gebeurt. We praten over AI alsof iedereen plots ingenieur, filosoof en waarzegger tegelijk geworden is. We horen wilde verhalen, zien filmpjes waarin een robot een gedicht schrijft of een advocaat zijn eigen voet opeet, en we vullen de rest aan met ons buikgevoel. Daar woont de angst immers, in dat buigevoel. Niet in kennis, maar in de donkere ruimte ervoor.
AI kan een bijzonder krachtig hulpmiddel zijn. Neem mij bijvoorbeeld. Ik ben een notoire dyslecticus, iemand voor wie spelling soms lijkt op een kast waarvan alle laden tegelijk openstaan. Ik kan een tekst schrijven, maar hem op fouten nalezen is een ander dier. Daar helpt AI. Ze wijst me aan waar een letter verkeerd in zijn hok zit, waar een zin struikelt, waar een komma zich verstopt heeft alsof ze huur moet betalen. Dat is bijzonder nuttig voor een schrijver, en vooral voor de sukkelaars die vroeger de teksten moesten nalezen. Dat is een gereedschap. Een bril is immers ook geen samenzwering van de glasindustrie.
Een ander kan proberen er een artikel door te laten schrijven. Ik wens hen veel geluk ermee. Ik heb het eens geprobeerd. Het resultaat had de persoonlijkheid van lauwe pudding in een plastic bakje. Stijlloos, sussend, zonder diepgang, zonder eigen adem of consistentie. Ge haalt ze er zo uit, die stukken van mensen die geen tekst willen schrijven maar wel graag doen alsof er iets van hen op papier staat. Dat is wat mij betreft geen schrijven. Dat is een soort tekstbeheer met een mechanische hand.
Ik weet nog hoe mijn ouders en grootouders boos werden wanneer ik als kind te veel televisie keek. Daar zou ik namelijk dom van worden. En vandaag zeggen wij hetzelfde over jongeren met hun smartphones en tablets, omdat elke generatie haar eigen schrik graag in een nieuw toestel giet. Maar worden ze daar echt dom van? Dat betwijfel ik. Zonder begeleiding misschien wel. Maar met enige sturing leren ze ook dat gereedschap correct te gebruiken. Kritisch. Wantrouwig. Met de vraag in gedachte of wat blinkt ook werkelijk iets waard is. Dan kan zo’n toestel zelfs een ingang zijn naar meer kennis, hoe pijnlijk dat ook klinkt voor wie nog graag aan een encyclopedie ruikt.
Alleen zit er bij AI een verschil dat we niet te licht mogen wegwuiven. Het internet gaf ons een reeks zoekresultaten. Een reeks deuren en ingangen. Slechte, goede, vuile, bruikbare, openstaande en verroeste. Ge moest zelf nog kiezen en zoeken welke ge wilde opendoen. AI geeft meestal slechts één antwoord, uitgesproken met de kalmte van een notaris die de nalatenschap al verdeeld heeft. Vraagt ge iets aan Claude, ChatGPT, Copilot, DeepSeek, Kimi of eender welke digitale praatpaal die uw voorkeur geniet, dan krijgt ge een resoluut antwoord dat doet alsof het net uit marmer is gehouwen. Alternatieven krijgt ge pas wanneer ge er expliciet om vraagt. En dat is gevaarlijk, want veel mensen vragen niet verder, zij knikken en slikken. Het eerste antwoord wordt de absolute waarheid, AI heeft het immers gezocht. En wee degene die dat durft tegenspreken, ook al heeft hij gelijk.
Goed gebruikt van AI, dat kan bijzonder verrijkend zijn. De enige vaardigheid die ge moet leren is vragen stellen. Ge hebt immers meer informatie binnen handbereik dan wij vroeger ooit hadden. Wij hadden een bibliotheek, een encyclopedie en een middag de tijd, als we geluk hadden. Nu ligt er in enkele seconden een vrachtwagen vol kennis en gegevens voor uw voeten. Maar ge moet nog altijd zelf weten wat ge ermee doet. Anders staat ge daar met uw handen in uw zakken naast een omgekiepte vracht en noemt ge dat vooruitgang.
Het probleem is dus niet alleen AI op zichzelf. Het probleem is voornamelijk hoe wij ermee omgaan. Gebruikt ge het als ondersteuning, dan kunt ge meer, veel meer dan met uw eigen hoofd alleen. Ge kunt sneller ordenen, beter vergelijken, fouten opsporen, invalshoeken naast elkaar leggen en al die andere zaken die zoveel tijd vragen. Ge kunt uw eigen denken aanscherpen, als ge tenminste nog van plan zijt zelf te denken. Laat ge dat vallen, laat ge de technologie voor u beslissen, schrijven, kiezen en begrijpen, dan wordt ge inderdaad het soort mens waar de doemdenkers ’s nachts zwetend van wakker worden. Een gebruiker zonder gebruiksaanwijzing leidt altijd tot problemen voor hem en zijn omgeving.
Dan loopt ge een groot risico. Niet omdat AI plots een metalen arm door uw raam zal steken, maar omdat ge uw eigen denkvermogen laat wegrotten. Uw eigen twijfel en oordeel, uw vermogen om te zeggen ‘wacht eens even, klopt dit wel?’ En als het systeem vervolgens ooit stilvalt, en dat zal zeker ooit gebeuren, door een storing, een oorlog, door censuur of gewoon omdat iemand op het verkeerde knopje heeft geduwt, dan staat ge daar, zonder geheugen of kompas. Zonder iemand die nog weet hoe men een kaart leest of een appel plukt.
En dan is er nog de angst voor de rijken en machtigen der aarde, die de grote AI-modellen in handen hebben. Die angst is zeker niet onterecht. Wie de machines bezit die de informatie ordenen, bezit niet meteen de waarheid, maar wel de toonbank waaraan ze wordt verkocht. Dat is geen detail, integendeel, aan die toonbank wordt immers het aanbod bepaalt. Toch wil ik daar graag twee dingen tegenover zetten.
Ten eerste, als AI ons werkelijk zo dom maakt zodra we haar te veel vertrouwen, dan geldt dat ook voor de rijken en machtigen. Ook zij kunnen hun denken uitbesteden tot er niets meer overblijft dan een kostuum met een wachtwoord. Als die voorspelling klopt, dan zijn ze bezig zichzelf langzaam uit te hollen. Dat is een schrale troost, maar ondanks alles toch een troost. Soms doet de natuur haar werk met trage onontkomelijkheid en dat kost nu eenmaal tijd en ellende.
Ten tweede, elke nieuwe technologie kan goed of fout gebruikt worden. Kernenergie kan reactoren voeden of steden verbranden. Industrie kan levens verbeteren of rivieren veranderen in afvoerbuizen met visgraten. De kunst van het smeden gaf landbouwers beter gereedschap en soldaten betere zwaarden. Het probleem zit zelden alleen in het werktuig. Het zit meestal in de handen die het vasthouden, en vooral in de handen die wij toestaan om het vast te houden.
En daar begint de echte verantwoordelijkheid, onze verantwoordelijkheid. Niet bij paniek. En zeker niet bij aanbidding. Wel bij het maken van keuzes. Wat laten wij bedrijven toe om te doen? Wat laten wij overheden toe om te doen? Welke macht geven wij uit handen omdat het zoveel gemakkelijker is? Wij doen dat in het stemhokje, aan de winkelrekken, met elk abonnement, elke klik en elke achteloze toestemming die wij geven omdat het vakje anders vervelend blijft zeuren.
Misschien moeten we dus minder bang zijn voor AI en wat meer wantrouwen hebben tegenover onszelf. Wantrouwen tegenover onze luiheid, onze gemakzucht, onze bereidheid om zoveel macht en vrijheid uit handen te geven zodra er een korting tegenover staat. Als menselijk ras, acht miljard stuks van ons, zouden we misschien eens moeten nadenken hoe we samen over onze toekomst beslissen. Niet nadat een paar autocraten, monopolisten en profeten van het kwartaalrapport ze al in dozen hebben verpakt en verkocht. Dat is nog altijd beter dan als een koe in de boom te springen wanneer er een train komt aangereden.
En heel misschien, hoe verdacht dat waarschijnlijk ook klinkt, kan AI ons daar zelfs bij helpen. Niet als een leidende structuur, niet als priester of als orakel met een serverruimte. Maar wel als een gereedschap. Een bijzonder scherp stuk gereedschap zelfs, dat ge beter niet in de handen van een dronken timmerman legt. Want de vraag is niet of AI gevaarlijk is. De vraag is of wij nog verstandig genoeg zijn om dat gevaarlijk gereedschap te gebruiken zonder er meteen ons eigen dak mee af te zagen.
Ook te lezen via substack (voor de liefhebbers)
Weekteksten kunt ge als steeds gratis downloaden via het winkeltje