
Het is vakantie. Ik weet het. Mijn vierdelig kroost is ganser dagen in huis, al dan niet aangevuld met vriendjes of vriendinnetjes die ergens tussen ontbijt en avondeten uit de muren lijken te sijpelen. Leuk, zult ge denken. Dat is het ook. Soms. Zoals een kermis leuk is zolang ge er niet naast woont. En zoals elke ouder kijken wij met een dubbel gevoel uit naar september. Dubbel, want dan is ons eigen verlof ook weer opgevouwen en in de kast geduwd. Maar toch ook reikhalzend, omdat de rust dan eindelijk terugkeert in huis. Rust, dat kleine burgerlijke mirakel waarbij niemand op blote voeten door een plasje yoghurt loopt.
Ge kunt de teksten van het Punt hier dwonloaden
Dat terug naar school was gisteren onderwerp van gesprek. En misschien denkt ge dat er heel wat over school te zeggen valt, over de kwaliteit van het onderwijs, over hoe het klassieke systeem zoveel beter was, over vroeger, toen de krijtjes nog recht waren en kinderen blijkbaar spontaan hoofdrekenend uit de kolen kwamen. En ja, ik denk dat ook, zij het met mate. Niet omdat vroeger alles beter was. Vroeger had ook natte sokken, stinkende turnzalen en meesters die hun eigen humeur voor pedagogie hielden. Maar alle onderzoeken wijzen er wel op dat het kennisniveau toen bij de wereldtop hoorde. Vandaag zitten we wat verloren in de middenmoot, als een leerling die zijn klaslokaal niet meer vindt en doet alsof hij daar toevallig rondloopt.
Nu kunt ge dat aan van alles wijten. Aan planlast, aan het zware beroep, aan een gebrekkige opvoeding waarbij ouders soms lijken te denken dat de school ook de tanden poetst, grenzen trekt en karakter aflevert in pakketvorm. Of aan onvolkomen leerplannen, aan invulboeken in plaats van leerboeken, aan methodes die ruiken naar vergaderzalen en natte broodjes. Het is een lijst die langer is dan het boodschappenbriefje waarmee ik doorgaans op pad gestuurd word. En dat wil al wat zeggen. Meestal staat daar ook nog iets op wat ik niet kan lezen en toch verkeerd meebreng.
Waarschijnlijk hebben al die zaken er wel iets mee te maken. Een huis zakt zelden in elkaar omdat er één nagel ontbreekt. Maar volgens mij zijn het vooral symptomen van een fundamentelere verandering die zich ergens in de jaren zeventig en tachtig heeft vastgezet, als vocht in een muur. Tenminste, dat is mijn conclusie, voor zover die recht heeft op een stoeltje in de discussie en niet meteen door een commissie naar de gang wordt gestuurd.
En vooraleer iemand het in zijn hoofd haalt te denken dat ik heimwee heb naar ezelsoren, babbeltongen en lijfstraffen, neen! Daar gaat het niet over. Wie dat mist, mist vermoedelijk vooral de tijd waarin hij zelf nog niet aan de beurt was. Het gaat over iets anders. Over wat wij als doel van onderwijs zijn gaan zien. Over de vraag of een school jonge mensen moet vormen, of ze zo snel mogelijk moet inpakken en met een barcode op de arbeidsmarkt zetten.
Vroeger, en ik heb intussen genoeg jaren op de teller om die zin te mogen gebruiken zonder dat iemand mij onmiddellijk naar de uitgang begeleidt, had ge na de lagere school in grote lijnen twee richtingen. De lagere school gaf u een brede basis mee. Had ge tijdens een jaar niet genoeg opgenomen, dan deed ge dat jaar over. Dat was geen feest, natuurlijk. Niemand hangt slingers aan een bisjaar. Maar het was ook geen doodvonnis. Het was een extra jaar om bij te benen, niet een etiket dat men met spuug op uw voorhoofd kleefde.
Daarna kont ge kiezen tussen de vakschool of de humaniora. De naam zei het zelf, toen namen nog niet eerst door een werkgroep werden gewassen. In de vakschool leerde ge een vak. Loodgieter. Schrijnwerker. Metaalbewerker. School gedaan, ge had een brede en grondige kennis van uw vak en kont aan de slag. Koost ge voor de humaniora, dan koost ge tussen Latijn en Modern. Het ene richtte zich op klassieke talen en humane wetenschappen. Het andere op moderne wetenschappen. Dat is kort door de bocht, zeker. Maar soms is een bocht kort omdat de weg nu eenmaal niet langer is.
In dat middelbaar lag de klemtoon op het verwerven van een zo breed mogelijke algemene kennis. Rekenmachines waren uit den boze. Openboekexamens bestonden niet. Ge moest het allemaal in uw hoofd proppen, verteren, begrijpen, op commando kunnen uitspuwen en daarna nog toepassen ook. Dat was niet altijd aangenaam. Een hoofd is geen magazijn, al werd het soms wel zo behandeld. Maar na zes jaar stond daar iemand die kon hoofdrekenen, die een brede parate kennis had en die klaar was voor een vervolgtraject aan universiteit of hogeschool. Een vak had ge niet geleerd. Dat was ook niet de bedoeling. Ge had gereedschap gekregen, geen uniform.
Dat vak leerde ge in de volgende stap. Van econoom tot ingenieur, van filosoof tot kunsthistoricus, ge kon alle kanten uit met die brede basis. En ja, in die dagen stond het Vlaamse onderwijs aan de wereldtop. Het doet pijn om te zien hoe wij veertig jaar later zijn afgegleden naar een plaats waar niemand nog naar wijst tenzij om te vragen wie daar in de weg staat. Wat is er fout gegaan?
Naar mijn bescheiden mening ongeveer hetzelfde wat er zo vaak fout gaat wanneer hebzucht haar schoenen uittrekt en zich aan tafel zet. In de jaren zeventig werd het VSO ingevoerd, het vernieuwd secundair onderwijs, en later kwam de eenheidsstructuur de boel nog wat netter in dozen steken. Daar is, volgens mij, iets beginnen schuiven. Niet meteen met een daverende knal. Eerder zoals een kast die langzaam van de muur komt tot ge op een dag tussen de borden staat. We hebben de doelstelling om jongeren zoveel mogelijk kennis, inzicht en denkvermogen mee te geven stilaan losgelaten en vervangen door iets dat praktischer klonk, hen zo snel mogelijk bruikbaar maken.
De industrie, de motor van onze economie, ik herhaal alleen de woorden die ons al jaren in het gezicht worden gesmeten, had immers een ander idee. Algemene ontwikkeling was mooi voor op zondag, tussen koffie en taart. Op maandag had men mensen nodig die pasten. Niet te breed, niet te lastig, niet te geneigd om te vragen waarom het wiel eigenlijk zo vierkant moest zijn. Om dat te begrijpen, moet ik eerst een andere kleine revolutie uitleggen, het bandwerk.
Bandwerk begon bij Ford, begin vorige eeuw. De bedoeling was simpel en dus aantrekkelijk, zoals bijna alle gevaarlijke ideeën. Het bouwen van een auto werd opgesplitst in zoveel mogelijk kleine stappen die ook iemand zonder bijzondere scholing kon uitvoeren. Een paar minuten opleiding, één handeling, altijd opnieuw. Zet genoeg van die kleine bewegingen achter elkaar en aan het einde rolt er een Ford T van de lijn. Een auto, gemaakt door mensen die elk maar een nagel van het beest hadden gezien.
Diezelfde aanpak sloop later zowat elk onderdeel van het moderne bedrijfsleven binnen, vaak verkleed met Engelse functietitels en grafieken in zachte kleuren. Boekhouders voeren geen boekhouding meer. De ene ontvangt de facturen en doet ze open. De volgende boekt ze volgens een vaste routine. Een derde verwerkt resultaten op een hoger niveau en noemt dat dan rapportering. Zo werkt een personeelsafdeling ook, of een aankoopdienst, een verkoopafdeling, een magazijn. Allemaal kleine productielijntjes. Zelfs R&D, waar men graag doet alsof men dagelijks het vuur opnieuw uitvindt, werkt vaak volgens hetzelfde principe. Alleen hangt daar een whiteboard naast.
In de jaren zeventig en tachtig nam de Vlaamse industrie een hoge vlucht en kwamen de eerste oliecrisissen ons eraan herinneren dat welvaart ook maar een jas is die kan scheuren. Het leven werd duurder. Er waren minder jobs. De regering zat met de handen in het haar of op de kale schedel, al naargelang de minister. Om dat op te lossen keek men naar de jeugd. Die was immers de toekomst. En de toekomst heeft één voordeel, ze kan nog niet tegenspreken.
“Als we nu eens,” moet iemand gedacht hebben, wellicht met de glans van het ei van Columbus in de ogen, “onze opleidingen afstemmen op de noden van de industrie?” Dan krijgen we perfecte werknemers. Dan trekken we bedrijven aan. Vervolgens gaan de lonen omhoog. Dan stijgt de consumptie. En dan komen er meer sociale bijdragen, meer belastinginkomsten, minder uitkeringen, meer verkopen, meer bedrijfsbelastingen. Ge ziet het al. De oplossing stond daar te blinken als een tweedehandswagen op een natte parking. Men moest alleen niet te diep onder de motorkap kijken.
Zoals meestal wanneer een mens een eenvoudige oplossing vindt voor een ingewikkeld probleem, is hij blind voor de neveneffecten die achter hem aan komen lopen met modder aan hun schoenen. Veertig jaar later is die aanpak niet langer adequaat. Waar de industrie tot voor kort nog redelijk kon aangeven welke gespecialiseerde profielen ze zocht, hebben we vandaag vooral nood aan hoogopgeleide mensen met een brede algemene kennis, die in een snel veranderende omgeving kunnen functioneren zonder voor elk denkspoor eerst Google, co-pilot, Chat GPT of Claude als voogd te moeten raadplegen.
Door opleidingen steeds meer op maat van bedrijven te maken, en door het geheel zo overzichtelijk mogelijk te willen opdelen in finaliteiten, richtingen en vakjes, bereiden we mensen bijzonder goed voor op een job die al aan het verdwijnen is terwijl de brochure nog warm uit de drukkerij komt. Intussen missen ze de algemene kennis over financiën, logica, geschiedenis en al die andere zaken die vroeger zo belangrijk werden gevonden. We zoeken biotechnici, IT-ingenieurs, astrofysici en andere hooggekwalificeerde mensen die vlot kunnen schakelen en breed kunnen denken. En dan kijken we verbaasd wanneer ze niet uit een systeem komen dat hen vooral leerde in een smallere doos te passen.
Ge kunt dat de mensen niet aanwrijven. Zij hebben het systeem moeten ondergaan, zoals ik het oude systeem mocht ondergaan. Keuze is meestal iets wat volwassenen achteraf verzinnen om kinderen aansprakelijk te maken voor wat boven hun hoofd werd beslist. En ja, het oude systeem had lacunes. Natuurlijk. Het was niet afgestemd op een wereld die almaar sneller begon te draaien. Maar lacunes kunt ge vullen. Een keldergat dicht ge met stenen. Ge breekt daarvoor niet het hele huis af om er een carport van te maken.
En dan de slaagpercentages. Die moesten blijkbaar ook mooi ogen. Vroeger was het eenvoudig. Gebuisd was gebuisd. Geen vakken meenemen als een natte valies. Gewoon opnieuw beginnen tot ge het wel kon. Hard? Zeker. Maar een huis bouwt ge niet verder op een fundering die wiebelt als pudding. Vandaag verwachten we dat leerlingen die bepaalde zaken onvoldoende beheersen toch naar het volgende jaar schuiven, met een basis zo wankel dat ge er geen boekentas op durft te zetten. Ook dat helpt niet. Het staat wel vriendelijker op papier. Papier heeft weinig last van instortingsgevaar.
En hoe lossen we het dan op? Terug naar vroeger? Zeker niet. Wie terug wil naar vroeger, vergeet meestal de kou in de gangen en de rotte tanden in de klas. Bovendien ben ik geen onderwijsspecialist. Ik kan wel zien dat de as krom staat, maar ik heb niet de kennis of de vaardigheid om ze recht te trekken zonder minstens drie andere wielen te verliezen. Toch kan ik één advies meegeven, gratis en dus verdacht! Richt u opnieuw op kennisverwerving en op de ontwikkeling van denkvermogen.
Parate kennis en het vermogen om problemen te analyseren, te beoordelen en op te lossen. Dat zijn de zaken die mensen weerbaar maken in het leven. Niet alleen op de arbeidsmarkt, dat vreselijke woord voor een plein waar iedereen zichzelf moet verkopen zonder te morsen. Ook daarbuiten. Die kennis helpt hen leugens en oplichting te doorzien. Zij geeft een mens iets stevigers in handen dan een competentieprofiel met lintjes rond. Daarmee kunt ge de toekomst tegemoet treden zonder telkens te wachten tot iemand anders de handleiding heeft geschreven. Vakvaardigheden zijn nuttig zolang het vak bestaat. Daarna liggen ze soms in de kast naast de kabels waarvan niemand nog weet waarvoor ze dienen. Denkvermogen veroudert trager. Kennis ook, als ge ze blijft voeden. Dat was een wijsheid die het oude systeem, met al zijn gebreken en koude stenen, beter begreep dan wij vandaag graag toegeven. Misschien moeten we die er niet nostalgisch uit opgraven, met een vlaggetje en een schoolfoto erbij, maar ze gewoon terug in het systeem pompen. Niet om kinderen klaar te maken voor de fabriek van gisteren, maar voor een wereld die morgen alweer haar meubilair verplaatst.