
’t Is een schande, hoorde ik de man voor mij vertellen tegen de bakker. Daar zouden ze nu toch echt eens iets aan moeten doen. Welk onheil de man bedoelde had ik niet meegekregen, maar de bakker was het alvast roerend met hem eens. ‘En dan te denken aan die arme mensen… God, ge moogt er niet aan denken’. En ook daar knikte de bakker instemmend op. Tja, dat is het nadeel van de bakkerij, ge valt er nogal eens midden in een ramp, tussen de koffiekoeken en het half grof, zonder dat ge er verder iets van meekrijgt.
En dan was het mijn beurt, ‘En, Peter, waar kunnen we blij mee maken’. En die vraag kwam zonder het medeleven waarmee hij mijn voorganger aangesproken had, maar met de vrolijke noot die elke zaterdagochtend kleur geeft. De steen des aanstoots was weggeschopt, de miserie afgehandeld. Nu kwamen de pistolets.
En ik bedacht voor mezelf dat we toch wel een vreemd soort mensen zijn. We zien problemen, we hebben medelijden, zoals mensen betaamt, en weten dat er iets aan gedaan moet worden. Vervolgens leggen we de verantwoordelijkheid ervoor bij ‘hen’. We zeggen dat ‘ze’ er iets aan moeten doen, en we hebben onze plicht volbracht, onze morele boekhouding bijgewerkt. We gaan over naar de croissants en sandwiches en de occasionele pateekes of taarten, ook occasionele verontwaardiging heeft blijkbaar haar openingsuren!
Kent ge Aylan Kurdi nog? Dat klein Syrisch-Koerdisch jongetje van drie jaar. De hartverscheurende foto van zijn lichaam op een Turks strand in 2015 werd wereldwijd een pijnlijke poster van de vluchtelingencrisis. Hij kwam uit Kobani, een stad in Syrië waar de hel, onder leiding van IS een tijdelijk bijhuis had geopend. Zijn familie probeerde net zoals gij of ik in die omstandigheden gedaan zouden hebben, via Turkije naar Europa te vluchten. Ze wilden met een piepklein rubberbootje de oversteek maken naar het Griekse eiland Kos. Maar dat bootje kapseisde, zoals kleine bootjes op grote zeeën plegen te doen. Aylan verdronk, samen met zijn broertje Galib en zijn moeder Rehana. Alleen zijn vader, Abdullah Kurdi, overleefde de tocht van de ene hel naar de andere. Het was een indringend beeld dat de wereld plots, toch voor even, wakker sloeg, en vervolgens, zoals steeds, ons rustig terug liet indommelen.
Herinnert ge u de verontwaardiging nog? Een gezin, met enkel stuk plastic tussen een gewisse dood en mogelijke toekomst? Weet ge nog hoe ge u voelde? Er werden beloftes gedaan, woorden gesproken en de zin ‘dit nooit meer’ werd nog eens netjes afgestoft en als grote waarheid tentoon gespreid.
Heel even leek het alsof de foto het debat over vluchtelingen menselijker zou maken. Dat we met zijn allen het probleem nu eens echt wilden aanpakken. Maar zoals dat vaak gaat, ‘ze’ deden niets. En vandaag zijn enkele verdronken vluchtelingen zelfs geen nieuws meer waar bij de bakker over gesproken wordt. Want wat ooit ver van huis was, gebeurt nu in onze achtertuin. Turkije is niet zo ver, maar de Noordzee is veel dichterbij. De overrompeling in Ceuta is dan weer een beetje verder, maar ook dat zal wel snel vergeten worden, eens we een paar weken verder zijn. En ‘ze’, ze doen er niks aan.
Ik wil uwen zaterdagochtend niet verpesten met de immens lange lijst waarvan we denken dat ‘ze’ er iets aan moeten doen. Ik heb er de bakker ook niet over aangesproken, hadden we die discussie begonnen, dan was er wekenlang geen brood meer geweest in het dorp. Mensen zouden het moeten doen met beschuiten en droge koeken, dat wil een mens ook niet op zijn geweten hebben. Maar het heeft me wel aan het denken gezet. ‘Ze’ moeten er inderdaad eens iets aan doen. Aan zoveel onmenselijke miserie in deze wereld. Maar ‘ze’ bougeren niet. ‘Ze’ hullen zich in zwijgen en vertrekken geen spier.
Wie zijn die ‘ze’ eigenlijk? Dat vraag ik me af. Wie bedoelen we met ‘ze’? Iemand anders dan wijzelf, natuurlijk. Zoveel is duidelijk. Over wie hebben we het dan? Een mythisch wezen met een aktentas en een toverstaf? Die bestaat niet. De koningen, de politici, de rijken en machtigen der aarde? Die zijn bezig met koning te zijn, stemmen te verzamelen of rijkdom en macht te vergaren. Die hebben daar geen tijd of goesting voor.
Wijzelf dan? Dat zal lastig worden. Wij hebben immers onze job, onze hobby’s, onze gezinnen en andere liefhebberijtjes. Wij hebben er ook geen tijd voor. En als we tijd hebben voor die schokkende zaken die ‘ze’ zouden moeten oplossen, dan zijn we bezig ons te verontwaardigen, erover te spreken en te klagen. En verontwaardiging is zwaar werk, vooral als het niets opbrengt, het is een vermoeiende bezigheid, we geven het al snel op en gaan over tot de orde van de dag. Er moet brood op de plank komen. Het huiswerk moet nog gemaakt worden. En een mens mag zo nu en dan toch ook nog zijn plezierke hebben. Daarom doe ik deze oproep. Wie ‘ze’ kent, laat mij even weten wie ze zijn en waar ze zitten. Ik heb een hartig woordje met hen te spreken. Hun nalatigheid verpest deze wereld. Misschien moeten we een ‘wanted’-poster ophangen. Gezocht: ‘Ze’ wegens plichtsverzuim. Want ‘ze’ doen hun job niet goed. We klagen er steen en been over, misschien is het tijd dat we hen er eens op aanspreken. Ik geef er graag een signalement bij: altijd elders, nooit bereikbaar, vermoedelijk gekleed in de vorm van iemand anders.