
Gisteren ontmoette ik, voor het eerst sinds heel lang, Eric. Eric is een jeugdvriend, zoon van begoede ouders en jurist van opleiding. Hij was ooit een sportieve kerel geweest, zo iemand bij wie de kleren spontaan beter leken te passen dan bij de rest van ons, maar nu zag hij er anders uit. Dat is niet abnormaal wanneer ge iemand enkele decennia niet gezien hebt. Ik zal er best ook wel anders uitzien dan pakweg twintig, dertig jaar geleden. De tijd behandelt ons immers niet met handschoentjes aan.
Eric was, net als ik, van kleur aan het veranderen. Het grijs had zich doorheen de jaren een breed pad uitgehakt door zijn kwijnende haardos. Wat hij op zijn hoofd verloren had, compenseerde hij op zijn kin. Hij had het soort baard dat zijn eigenaar bewaarkosten kon aanrekenen voor de voedselresten die erin verstopt konden worden.
Hij droeg een zwarte T-shirt met een of ander hardrockteken op, een vale jeans, met een soort ketting die zijn portefeuille in zijn achterzak hield als was het een slecht opgevoede hond. Net als ik was hij aan het brillen, een bril met zwaar donker montuur hielp hem de dag te zien en mensen te herkennen. Zijn ooit goed getrainde lijf was verdikt op de foute plaatsen, een euvel wat ik uit persoonlijke ervaring ken, en gekrompen op plaatsen waar er vroeger nog overtuiging en daadkracht te zien was. Een duidelijk teken van een gulle sedentaire levensstijl.
Toen hij afstudeerde had hij braaf gedaan wat iedereen van hem verwachtte. Hij was gaan werken in het bedrijf van zijn ouders, met de heldere bedoeling dat hij als enig kind de volgende generatie ondernemer zou worden. Ik bekeek hem eens, twijfelde en vroeg hem: “Wat doet gij tegenwoordig kerel”
“Ik doe beleggingen” antwoordde hij. Ik bekeek hem even grondiger, het figuur klopte wel, maar haar, baard en outfit vloekten met die bewering. Hij moet het gezien hebben en vervolledigde: “Ik beleg voor mezelf, niet voor anderen”.
‘Juist’ antwoordde ik. Dat kon inderdaad, dan hoeft ge u immers van niemand iets aan te trekken en hoeft ge niemand gerust te stellen met bilkende schoenen, een vers gestreken hemd en een gepatenteerde glimlach. “En, lopen de zaken een beetje” ging ik verder, om me heen kijkend of ik ergens de verplichte Porsche of Harley-Davidson kon zien.
“Mja, ik leef ervan” antwoordde hij ontwijkend. Daar kon ik natuurlijk weinig op zeggen, dus liet ik het maar zoals het was.
“En je ouders” vroeg ik, “Leven ze nog? Hoe gaat het met hen?”
“Neen, pa is al twintig jaar dood en ma is een paar maanden later vertrokken” hij keek in de verte, pijn in zijn ogen, starend naar iets ergens heel ver achter mijn schouder. Ik heb het geluk dat mijn ouders nog leven, beiden in de negentig. Dat is een familieziekte, die hoge leeftijd. Ge staat er dan niet bij stil dat mensen soms ook vroeger sterven. Ik liet een gepaste stilte vallen.
“We moeten nog eens iets gaan drinken… zoals vroeger” zei Eric toen hij klaar was om me terug aan te kijken.
“Anders nu rap een koffieke” stelde ik voor, en dat vond hij prima.
Afhankelijk van waar ge zit, is koffiedrinken een andere bezigheid. Gaat ge een gewoon café binnen, dan bestelt ge uwe koffie, ge krijgt hem met een koekske, een melkpoederke en suiker. Ge mengt alles naar wens en slurpt hem op. In een deftige koffiebar vraagt ge uwe specifieke koffie, kiest uw melk (wat ik verafschuw, als ge geen koffie lust, drink er dan geen, maar verpest hem niet met melk) uw formaat en bij de beste bars, ook nog de dikte en vorm van uw schuimlaag.
Wij waren beland in iets tussen in, zo een soort koekenzaak die ook wat fancy koffie aanbood. Koffie zonder deftig kostuum verkoopt blijkbaar niet meer. Maar goed, even later zaten we aan een tafeltje, beiden met een reuzenmok koffie voor onze neus, en het moet gezegd worden, de koffie was prima.
“Vertel eens kerel, beleggingen? Ik dacht dat ge de zaak van uw ouders wilde overnemen”. Hij keek me aan, knikte droevig en zuchtte even.
“Tja, dat wilde ik ook, maar nadat pa en ma weg waren…” er viel een stilte, zo een soort stilte die van steen gemaakt is en waarvan ge weet dat ge ze niet kunt stukslaan. Even later ging hij verder.
“Ik heb de boel verkocht, ik kon het niet meer. Alles rook naar pa en ma. Ik heb gans de boel verkocht en ben een jaartje of twee de wereld rondgetrokken. Toen ik terug was, was er nauwelijks iets meer over. Enkel het huis en een paar duizend euro” hij zuchtte hoorbaar en zelfs een blinde kon de pijn van zijn gezicht lezen.
Het was een soort onthulling van falen waar een mens moeilijk op kan reageren. Wat ge ook zegt, het komt er altijd verkeerd uit. Ik keek hem meevoelend aan, hij zat daar als het wrak van een oude belofte, als iemand die zijn mogelijke toekomst schijf per schijf opgeleefd had en nu met lege handen achterblijft.
“Maar dan nu, beleggingen?” Ik moest toch iets zeggen, iets wat hem moed gaf, wat hem naar vandaag terugbracht. Hij keek me aan, glimlachte even, flauw maar toch en nam nog een slok koffie.
“Ja” zei hij, alsof hij plots een soort vastberadenheid gevonden had. “Beleggingen. Ik heb die laatste paar duizend euro’s belegd. Een deel in een warme bakker, enkele straten verder en een deel in NFT’s, ge weet wel, trackers”.
De beurs is niet mijn natuurlijke habitat, dus ik knikte begrijpend met het vaste voornemen later die dag die termen eens op te zoeken.
“En” vroeg ik voorzichtig, het ergste vermoedend, “hoe verliep dat?”
“Eigenlijk best goed” antwoordde hij. “Het waren een paar magere jaren, ik heb een hypotheek op het huis moeten nemen om genoeg kapitaal bijeen te krijgen, maar eigenlijk best goed”.
“Komaan” moedigde ik hem aan, “vertel eens”
“Wel, die bakker, dat was booming business. We hebben de zaak vorige maand verkocht, dat was een mooie winst. De beurs was wat op en af, maar uiteindelijk verdiende ik er genoeg aan. Nu investeer ik vooral in kleine startende bedrijfjes”. Hij zei het zonder enige grootspraak, alsof hij sprak over het weer, of over een brood dat net iets te donker uit de oven gekomen was.
“Boeiend?” drong ik aan.
“Best wel” ging hij verder, nu met wat meer glinstering in de ogen “Ongeveer acht op tien draaien behoorlijke winst, een op tien is maar wat het is en eentje verliezen we. Tja, dat is pijnlijk voor die mensen zelf, maar ik kan het wel hebben”
Eric verbaasde me meer en meer. Hij had alvast mijn nieuwsgierigheid gewekt. “En, als ik zo onbescheiden mag zijn, hoe groot ben je eigenlijk?”
“Een meter achtenzeventig” antwoordde hij, daar was die oude grapjas van vroeger weer. “Neen, het fonds heeft een waarde van om en bij de veertig miljoen, ik verdien er elk jaar een paar honderdduizend netto aan”. Hij zei het alsof het een bijzaak was.
Ik keek hem aan en zei “aan kleren zult ge uw geld niet opdoen”.
“Och” zei hij, “het is fijn om dit te doen, maar al dat geld, het zegt me niks, ik mis pa en ma nog altijd en dat maakt me elke dag opnieuw ongelukkig”
En wat kan een mens daarop zeggen? Niets dat overeind blijft staan. We hebben alvast afgesproken contact te houden en zo nu en dan samen eens een koffie te gaan drinken.