
Ik zag Willy heimelijk door de gangen sluipen. Da’s niet gemakkelijk voor Willy, hij hoeft niet hoog te springen om tegen een balk op twee meter te botsen. Hij hoeft zich ook niet breed te maken om problemen met een te kleine deur te hebben. Als vriendelijk mens zal ik hem een uit de kluiten gewassen kerel noemen.
Maar zoals ik al zei, hij sloop schichtig als een wezel door de gangen, keek om hoeken voor hij doorliep en aan het zweet op zijn voorhoofd te zien, had de weg naar de keuken hem moeite gekost.
“Awel Willy, aan’t sporten geslagen”? vroeg ik hem. Wat kan een mens anders vragen in die omstandigheden. De temperaturen vandaag waren niet hoog genoeg om het zweet te verantwoorden.
“Och, zwijgt stil kerel” antwoordde hij, half hijgend, vlug het kleine keukentje afspeurend naar potentieel gevaar, “Ik probeer Sigried te ontwijken. God, ik hoop dat ik dat mens vandaag niet tegenkom”.
Dat was vreemd. Ge moet weten dat Sigried een altijd vrolijke lieve dame is, pas oma geworden, maar ge zoudt het haar niet aangeven wanneer ge haar ziet lopen. Ik kan me voorstellen dat ge met sommige mensen miserie hebt, maar met Sigried? En dan Willy nog, ondanks zijn imposante verschijning was het een pluchen beer met een gouden hart.
“Oei, en waarom?” Die vraag kan een mens op zo een moment niet negeren natuurlijk.
“Neen, gewoon” terwijl de machine de bonen maalde en zich klaar maakte om er stoom door te blazen, keek hij snel door de deur of hij niemand zag aankomen. “Niks ergs, maar ik kom haar liever niet tegen vandaag” Eens de koffie klaar nam hij de mok uit de automaat en begon zijn vreemde gang langs muren en schaduwen terug naar zijn bureel. Ge begrijpt dat ik hem achterna moest gaan, gewoon om te zien wat er ging gebeuren. Dat leek me net iets interessanter dan te gaan werken.
Hij sloop, kroop bijna, liep de grote stenen trap op, dicht tegen de leuning aangedrukt alsof die hem onzichtbaar kon maken. Het moet een vreemd zicht geweest zijn, een sluipende Willy die elke hoek en scheur van in de muren aankeek alsof er gevaar in schuilde en ik, rustig wandelend achter hem aan. Maar uiteindelijk kwam hij aan zijn bureel, plofte neer in zijn stoel, nam een slok koffie en liet een diepe zucht. Hij keek me aan en zei
“Komaan jong, doe die deur dicht, sebiet ziet ze me nog zitten”.
Ik sloot de deur, ging op de stoel tegenover hem zitten en keek hem aan. Er stond, daar ben ik zeker van, een enorm vraagteken op mijn gezicht, maar Willy hield de lippen stijf op elkaar. Wat ik ook probeerde, ik had nog sneller een baksteen kunnen overtuigen om uit de muur te vallen dan enige informatie uit hem los te krijgen. Tjs, wat doet een mens dan. Ge kunt uw werk bovendien niet eeuwig op u laten wachten, enfin, toch niet met enig goed fatsoen, dus ik terug naar mijnen bureau.
Natuurlijk, ik ging er niet direct naartoe, eerst moest ik nog op het secretariaat passeren. Waarom? Eenvoudig, daar werkte Sigried. Ik stapte er met enige omzichtigheid naar binnen, een excuus voor mijn aanwezigheid bij de hand. Ge weet immers niet wat ge gaat aantreffen, als een beer als Willy er zo’n schrik van had. En kijk, daar zat Sigried, luidop te lachen met haar twee collega’s. Ze kwamen niet bij van het lachen en wenkte me naar binnen.
“Awel, da’s hier plezant” zei ik opgewekt, “mag ik meedoen?” En dat was blijkbaar grappig genoeg om de lachbui weer te doen oplaaien. In die omstandigheden kunt ge niet veel meer doen dan even gaan zitten en alles laten bedaren. Dat duurde een minuut of tien. Mijn koffie was inmiddels leeg.
“Kom, kom eens zien” zei Sigried lachend wijzend naar haar PC. “De Willy, ge moet hem zien doen” Tja, dat moest ik inderdaad zien.
“Ge weet toch dat ik regelmatig eens eclairekes maak, niet?” vroeg Sigried, de tranen uit haar ogen wrijvend. En ja dat wist ik, ze vergaste er ons regelmatig op, en het zijn de beste éclairekes die ik ooit gegeten heb.
“Awel, den Willy is er zot op, ik maak er altijd een paar extra voor hem, maar ge weet, hij kan zich niet goed inhouden hé” En ja, ook daar kon ik me iets bij voorstellen.
“Awel, altijd als ik er mee breng, komt hij er ’s morgens een of twee pikken. En we dachten, we gaan hem eens liggen hebben. Kijk” ze wees naar haar scherm en startte een filmke. Ik zag direct dat het haar bureel was, gefilmd vanop de kast. Ik keek omhoog en zag een klein IP-camerake staan.
“Kijk, kijk” zei ze, weer wijzend op het scherm “daar komt de schurk”. Ze barstten allemaal in lachen uit. Ge hoorde de deur opengaan, ge kondt Willy zien binnenkomen en rondkijken of hij alleen was. Eens dat bevestigd, terwijl het lachkoor om mij heen weer in volume aanzwol, konden we Willy voorzichtig de doos op haar bureel een beetje zien openwurmen en er stiekem een éclaireke uit zien nemen. Hij at het met duidelijk veel goesting op. Hij deed de doos wat verder open, nam een tweede, begon er smakelijk van te eten tot hij iets zag, het éclaireke wegsmeet en in alle hevigheid met zijn vuile zakdoek over zijn tong begon te wrijven.
Ik keek Sigried aan die met tranen in haar ogen zat te lachen. Maar ik begreep het niet, en ze wees op de doos “Kijk maar en neem er eentje” zei ze tussen de lachuitbarstingen door. Ik deed de doos open en zag dat er binnen op het deksel met dikke alcoholstift iets geschreven stond.
Ik las; ‘Willy, als gij den dief zijt, dan zal ik het snel weten. In de pudding zit een stof die uw tong vier uur lang blauw zal kleuren’
Weekteksten kunt ge zoals steeds gratis downloaden in het winkeltje