
Hebt gij dat ook? Dat ge, wanneer ge ’s avonds in bed ligt, oplossingen bedenkt, zo vlak voordat ge in slaap valt, al half op weg naar uw dromen? Oplossingen voor zowat alles waar ge tijdens de dag tegenaan gelopen zijt? Of het nu wereldproblemen zijn of hoe ge de wc-pot kunt repareren. Ik heb er alvast last van. Nu ja, last. Het helpt me om met een gerust geweten in slaap te vallen. En aangezien ik de oplossingen tegen de ochtend meestal vergeten ben, hoeft er de volgende dag ook geen actie op te volgen. Het is een soort eenvoudig slaapmiddel dat een goede nachtrust garandeert zonder u een arm en een been te kosten.
’s Ochtends herinnert ge u alleen maar dat ge een oplossing gevonden had. De inhoud is ergens in uw dromen blijven hangen, ergens tussen een rendez-vous in een steeg en een hond die kon praten. Dat kan niemand u kwalijk nemen. Natuurlijk zal er ook niemand zijn die u ervoor zal bedanken. Maar dat hoeft ook niet. Die goede nachtrust kan niemand u nog afnemen.
Maar soms, heel soms, durft die oplossing zich doorheen de dag toch nog eens te manifesteren. Ik moet toegeven dat ze dan vaak minder geniaal lijkt dan de avond voordien. De nacht is immers gul voor ideeën, de dag is daar dan weer wat nuchterder in. Maar desondanks is het altijd een bruikbaar iets. Problemen zijn er immers in overvloed, oplossingen zijn veel schaarser, goede oplossingen zijn zo zeldzaam dat ge ze moet inkaderen wanneer ge ze vindt.
Het probleem dat mij al enkele dagen bezighield, was Ben. Een collega die op alle mogelijke en onmogelijke momenten mijn kantoor binnen zoemde als een vervelende mug op een warme zomernacht. Hij kwam me overladen met echte en veronderstelde problemen van nu en in de toekomst waar hij steevast tegenaan liep. Dat ging volgens een vast ritueel. Hij kwam binnen, ging op een stoel zitten en begon te zoemen. ‘Wilt ge nu eens wat weten…’ of ‘Weet ge al dat…’ en de zwaarste problemen werden meestal ingeleid met ‘Ge gaat niet geloven wat er nu gebeurd is…’
Doorheen de jaren kweekt een mens de gewoonte die zaken te negeren en gewoon door te werken. Een knikje hier en een kort grommen daar geven al snel de indruk dat ge aan het luisteren zijt. En zoals alle mensen die overlopen van problemen, was Ben meer met zichzelf bezig dan dat hij aandacht voor mij had. Het was een soort modus vivendi die weinig inbreuk op mijn dag maakte. Ge hebt per slot van rekening ook uw eigen problemen om op te lossen.
Dus ge laat hem ratelen, werkt door en na een tiental minuten verdwijnt hij meestal vanzelf. Als dat niet gebeurt, stelt ge hem voor samen een koffie te gaan halen. Ook dat werkt. Een trap en twintig stappen verder is de keuken, ge haalt een koffie, luistert twee minuten naar hem, kijkt op uw klok en geeft aan dat ge nog werk hebt. Dan hebt ge een uur of twee rust gewonnen en kunt ge doorwerken. Dat was geen oplossing, maar in een kantooromgeving is het vooruitschuiven van problemen een gangbare praktijk die soms zijn vruchten afwerpt.
Maar de avond voordien had ik de oplossing gevonden en weer netjes verloren bij het ontwaken. Die middag, tussen twee slokken koffie door, diende ze zich weer aan. Er liep namelijk een hond over het domein. Zo’n groot beest dat veel te enthousiast snoof en sprong en aan ieders hand wilde gaan likken. En daar stond ik weer, oog in oog met dat pratende beest uit mijn dromen. En daar was de oplossing! Nu kunt ge denken dat iemand die oplossingen van een pratende hond accepteert misschien een ander probleem heeft, maar ik had er geen bezwaar tegen. Waarom, zo had ik bedacht, help ik hem niet gewoon eens op weg om zo’n probleem op te lossen? Dan heeft hij zijn handen vol en laat hij me met rust!
En die namiddag was het dus wachten tot zoemende Ben terugkwam met probleem zestien van die dag. Lang hoefde ik niet te wachten. Een kwartiertje later ging de deur open en daar stond Ben. ‘Ge gaat niet geloven wat er nu gebeurd is…’ begon hij. En dat was net wat ik wilde, een ‘zwaar’ probleem. Het soort kluif waar hij zijn tanden, tijd en hinderlijke aanwezigheid op kwijt kon.
‘Vertel eens’, antwoordde ik. En ik liet hem spreken, luisterde aandachtig, nam nota en stelde vragen. Na een kwartiertje was het ‘probleem’ duidelijk. Dan begon ik oplossingen voor te stellen, stappenplannen op te stellen, flowcharts te maken en vatte alles netjes samen in een actieplan, mooi opgemaakt als een echte bureaucraat. Vormgeving lijkt soms verdacht veel op competentie, het overtuigde hem alvast, want hij glimlachte dankbaar. Ik verzond het per mail en wenste hem veel succes.
En wat denkt ge? Het duurde drie dagen voor hij weer binnen zoemde met het volgende probleem. Opnieuw nam ik een kwartiertje de tijd om hem met een volgend actieplan te laten vertrekken. En ja, nu had ik een week gewonnen voordat hij terugkwam. Het was een ware triomf. Daarna had ik hem twee weken niet gezien. Ge moogt dan al lachen met dat pratend beest uit mijn dromen, het had ondanks alles wel gelijk gehad. Ik kon mijn plezier niet op.
Maar afgelopen vrijdag dwaalde Ann mijn kantoor binnen. Ik begroette haar en bood haar een stoel aan.
‘En Ann, wat kan ik voor je doen’, vroeg ik vriendelijk.
‘God man, moet ge nu eens iets weten’, begon ze, ‘Ben, ge kent hem wel, nietwaar?’ Ik knikte beamend, en of ik Ben kende.
‘Wel, sinds een week of drie valt die op alle mogelijke en onmogelijke momenten mijn kantoor binnen, met onzinnige problemen. Ik heb daar echt geen tijd voor.’
Tja, wat kon ik haar zeggen?