
We hadden Jos al weken niet meer gezien. Jos was een stevige vijftiger die nooit gestopt was met groeien. Alleen was die groei met de jaren van richting veranderd, eerst verticaal, zoals de natuur voorziet en vervolgens horizontaal, zoals het leven soms beslist zonder u te raadplegen. En, zoals mensen eigen is, had Jos daar een leven lang naar oplossingen voor gezocht. Van sporten tot diëten, schema’s, poeders en boeken met lachende mensen op de kaft, alles was de revue gepasseerd. Boekenkasten vol zelfhulpnonsens bewezen hun ondeugdelijkheid door zijn gebrek aan resultaat.
Maar Jos stapte binnen, breed lachend, borst vooruit en duidelijk tevreden met zichzelf. En dat soort tevredenheid heeft zijn eigen gevaar, ge weet vooraf dat ge een verklaring zult moeten aanhoren.
“Awel, ziet ge niks aan mij?” vroeg hij, wijdbeens staande, zijn armen open alsof hij de mis aan het lezen was. Demonstratief deed hij een trage pirouette, zodat we hem langs alle kanten konden bekijken.
Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik niks anders aan hem zag. Maar ja, als ge iemand zo tevreden ziet met zichzelf, kunt ge hem zijn plezier natuurlijk niet afpakken. Dat zou wreed zijn. Dus antwoordde ik dat ik wel iets zag, maar niet direct kon thuisbrengen wat. Dat is, onder zowat alle omstandigheden, een verstandig en diplomatiek antwoord. Hij was er alvast duidelijk tevreden mee.
“Ja, ja”, antwoordde hij, “ik ben al een stuk strakker, geef me nog een paar maanden en ik ben weer klaar voor het sportveld.”
Nu moet ik eerlijk zeggen, ik heb hem nog nooit van zijn leven op een sportveld gezien. Ernaast, dat wel. Met een hotdog en een biertje in de hand. En dat ‘strakker’ kon ik ook niet zo direct thuisbrengen. Maar enfin, hij was tevreden met zichzelf en straalde dat uit.
“En Jos”, vroeg ik dan maar, de nodige bewondering veinzend, “hoe hebt ge dat voor elkaar gekregen?”
“Chair Tai Chi”, antwoordde hij met de overtuiging van een pas bekeerde gelovige. Het zei me niets. Dat moet hij duidelijk op mijn gezicht gezien hebben, hij lachte.
“Dat is een app”, verklaarde hij, “ge doet elke dag tien minuten oefeningen, en binnen een week voelt ge het verschil al.” Hij klonk een beetje als een reclamespot.
“Ah”, antwoordde ik, “en hoe gaat dat dan, kunt ge dat eens laten zien? Ik ken het niet.” Dat was blijkbaar een moeilijke vraag.
“Tja, ik heb mijn iPad niet bij…” begon hij aarzelend, een beetje uit het lood geslagen nu er actie verwacht werd. Dat is het inherente gevaar van enthousiasme, er loopt altijd wel een ambetanterik rond zoals ik, die een demonstratie eist.
“Komaan”, porde ik hem aan, “het zal ook wel op uw telefoon staan. Ik ken het niet en wie weet, misschien is het ook iets voor mij.” Intussen was de rest van het huishouden rond mij komen staan en keken ze hem allemaal vol verwachting aan.
“Goed dan”, zei hij. Hij ging aan tafel zitten, stelde zijn telefoon zo op dat hij goed zichtbaar was. Dan startte hij een sessie en begon oefeningen mee te doen. Ge begrijpt dat we allemaal een beetje op onze tong beten om niet in lachen uit te barsten. Alleen onze jongste keek hem met oprechte bewondering aan.
“Mag ik meedoen, meneer?” vroeg ze beleefd. Meer aanmoediging had Jos niet nodig. Hij pauzeerde de sessie, schoof een stoel bij en begon een uitleg te doen over wat er van haar verwacht werd. Ze luisterde aandachtig, knikte op de juiste momenten en gaf aan dat ze er klaar voor was. Het was aandoenlijk om te zien hoe hij zijn eigen drama organiseerde.
En daar gingen ze, jong en oud, slank en stevig, samen oefeningen doen op een stoel. Een vreemde plek om mensen te laten bewegen, maar wie ben ik om te oordelen. Mensen hebben al vreemdere dingen bedacht om een ander een maandelijkse bijdrage te laten betalen. Tien minuten lang genoten we van dat schouwspel. En dan was de sessie afgelopen.
“Zo werkt dat dus, dat doe ik elke dag, tien minuten, en het werkt.” Hij sprak zo overtuigd dat we niet durfden lachen. Toch niet zichtbaar. Ook beleefdheid heeft haar rechten, al wordt ze soms pijnlijk.
“Echt?” vroeg mijn eega, duidelijk niet overtuigd. Zij heeft de gave om een ganse onderzoekscommissie in een woord samen te vatten.
“Jazeker, na een week voelt ge het, na twee weken ziet ge het, na drie weken ziet de rest het ook”, antwoordde hij. Hij wees naar mij. “Hij zag het ook, toen ik binnenkwam! Ik ben nu in mijn vierde week.” Er klonk duidelijke trots in zijn stem. En dat is gevaarlijk, trots die steunt op een observatie die mij toegedicht wordt staat steeds op wankele poten.
“Oh, Jos”, zei mijn vrouw, “is dat een nieuwe broek?”
“Die? Neen, heb ik al een half jaar”, antwoordde hij onverschillig. “Zit precies wat te strak”, was haar droge antwoord. De rest van de conclusie liet ze aan hem over.