URL has been copied successfully!

Idealisten in de schaduw

URL has been copied successfully!
cynisme en idealisme

Men verwijt mij wel eens een overmaat aan cynisme en sarcasme. Dat wordt dan uitgesproken met de zelfvoldane ernst van iemand die meent een diagnose te stellen, terwijl hij in werkelijkheid alleen zijn eigen gemak verdedigt. Alsof cynisme een karakterfout is, een onsmakelijke hobby, iets wat men zich op een regenachtige namiddag heeft aangemeten zoals een te strakke jas. Alsof sarcasme niet gewoon het eelt is dat zich vormt op een ziel die te vaak tegen dezelfde ruwe werkelijkheid is geschuurd.

Ik leg dan meestal uit dat cynisme geen levensbeschouwing is, maar een begroeiing. Onkruid. Het schiet op waar idealisme te lang in de schaduw heeft gestaan. En die schaduw, laat ons wel wezen, is geen zeldzaam natuurverschijnsel. Ze ligt overal. Ze hangt boven instellingen, bedrijven, vergaderzalen, loketten, parlementen, redacties en huiskamers als een permanent bewolkte hemel waar nooit iets doorbreekt dan de volgende teleurstelling. Men doet dan graag alsof de cynicus het probleem is, terwijl hij vaak niet meer is dan de tuin waarin jarenlang niets degelijks meer is onderhouden.

Wie mij verwijt geen idealisme meer te bezitten, begrijpt het beest verkeerd. Het tegendeel is waar. Cynisme is geen afwezigheid van idealisme. Het is het overschot ervan, bedorven in de verkeerde omstandigheden. Sarcasme is geen gebrek aan hoop. Het is hoop die te vaak tegen een muur is gelopen en nu met geschaafde knieën en een vuile mond terugspreekt. Alleen wie ooit iets goeds heeft verwacht van mensen, systemen, afspraken of instellingen, kan werkelijk bitter worden wanneer hij ontdekt hoe gretig diezelfde dingen zich in middelmatigheid wentelen.

Idealisme heeft licht nodig. Niet veel, maar toch genoeg om niet te verstikken. Een beetje vertrouwen. Een bewijs dat inspanning verschil maakt. Een teken dat eerlijkheid niet systematisch wordt afgestraft als naïviteit, dat nauwkeurigheid niet voortdurend moet wijken voor lawaai, en dat fatsoen nog ergens meer opbrengt dan een beleefde vorm van zelfvernedering. Hoop is de humus waarin idealisme wortelt. Niet de grote, pathetische hoop van politici met opgestroopte mouwen en glimmende tanden, maar de kleine, werkzame variant. De hoop dat dingen kunnen kloppen. Dat mensen afspraken naleven. Dat redelijkheid af en toe de bovenhand krijgt op ijdelheid, gemakzucht en domme drift.

Maar wat leert het leven ons doorgaans? Dat goed werk vooral extra werk oplevert. Dat correctheid zelden bescherming biedt, hoogstens meer verantwoordelijkheid. Dat wie nauwgezet is, de rommel van anderen mag opruimen. Dat de luidste stem in een vergadering meestal niet de verstandigste is, maar wel het vaakst wordt gevolgd uit vermoeidheid. Dat instellingen regels prediken zoals priesters kuisheid. Luid, plechtig en vooral voor anderen. Dat men integriteit prijst zolang ze niet stoort. Dat men moed bewondert, op voorwaarde dat ze geen gevolgen heeft voor de agenda van het middenkader.

Kijk maar rond. Op het werk, waar procedures de plaats hebben ingenomen van verantwoordelijkheid en iedereen zich achter een stroomdiagram verstopt als een lafaard achter een gordijn. In de politiek, waar elk probleem eerst tot slogan wordt gemalen voor men het met nog meer overtuiging onopgelost laat. In het publieke debat, waar nuance behandeld wordt als een vorm van verraad en volume voor argumentatie doorgaat. Of in de omgang tussen mensen, waar men respect eist zonder het op te brengen, aandacht verlangt zonder te luisteren, en eerlijkheid toejuicht zolang ze niet over zichzelf gaat.

Wat moet idealisme daar beginnen? Het staat erbij als een brave tuinman met een plastieken gietertje tegenover een veld vol distels, kweekgras en ander stekelig gewas dat zich thuis voelt in verwaarlozing. Ge kunt dat best een tijd volhouden. Ge kunt blijven wieden, water geven, hopen dat de bodem nog iets wil dragen dat niet meteen woekert, prikt of verstikt. Maar na verloop van tijd krijgt het onkruid voorsprong. Niet omdat het beter is, maar omdat het minder eisen stelt. Cynisme groeit moeiteloos. Sarcasme heeft weinig nodig. Eén slechte vergadering, twee laffe beslissingen, drie flagrante onrechtvaardigheden en het schiet al op tussen de voegen.

Dat maakt het nog niet waardevoller dan idealisme. Onkruid heeft het voordeel van de eenvoud, niet van de schoonheid. Maar men moet ophouden te doen alsof het zomaar uit de lucht komt vallen. Cynisme is zelden de eerste reactie van een mens. Eerst komt het geloof dat dingen nog te herstellen zijn. Dan het geduld. Vervolgens de inspanning. Dan de teleurstelling. En pas daarna het lachje dat iets te scherp is, de opmerking die snijdt, het venijn dat in de taal kruipt als vocht in een muur. Sarcasme is vaak niet meer dan idealisme dat te lang op zijn honger heeft gezeten en nu uit gewoonte bijt.

Ik vertrouw mensen die beweren nooit cynisch te zijn trouwens voor geen meter. Dat zijn dikwijls ofwel de gelukzalig onwetenden, ofwel de profiteurs. De eerste categorie heeft nog nooit lang genoeg gekeken om iets te zien. De tweede heeft er belang bij dat de rest braaf blijft hopen terwijl zij intussen de meubels verkopen. Er is iets verdachts aan een mens die, na voldoende jaren tussen instellingen, ambities, compromissen, schijngedrag en halfzachte leugens, nog altijd spreekt alsof de mens van nature redelijkheid ademt. Of hij liegt, of hij kijkt niet.

Toch is cynisme als eindbestemming even armzalig als blind idealisme. Alleen een dwaas koestert zijn verbittering alsof het een deugd is. Wie zich volledig in cynisme nestelt, eindigt in dezelfde gemakzucht als degene die hij bekritiseert. Dan wordt het een houding, een decorstuk, een manier om niets meer te moeten riskeren. Alles belachelijk maken is uiteindelijk even lui als alles bewonderen. Het ene is suikerwater, het andere azijn. Ge kunt op geen van beide leven.

De vraag is dus niet hoe we cynisme uitroeien. Dat lukt toch niet. Het groeit terug, zoals alles wat wortelt in ervaring. De vraag is eerder hoe we idealisme genoeg licht geven om niet volledig te worden overwoekerd. Dat begint niet met grote woorden, manifesten of mensen die “verbinden” zeggen met de uitdrukking van iemand die nog nooit een echte tegenstelling heeft aangeraakt. Het begint kleiner. Met mensen die doen wat ze zeggen, met instellingen die verantwoordelijkheid niet eindeloos doorschuiven als een hete aardappel, met leidinggevenden die meer kunnen dan PowerPoint en afwezigheid in nette termen verpakken en met collega’s die afspraken behandelen als bindmiddel in plaats van als vrijblijvend decor.

Hoop wordt niet gevoed door slogans. Hoop leeft van kleine bewijzen. Een conflict dat eens niet wordt dichtgemetseld maar uitgepraat. Een fout die niet wordt verstopt maar hersteld. Een beslissing die niet alleen efficiënt is, maar ook juist. Een mens die zich uitspreekt en niet meteen als lastig wordt geparkeerd. Een systeem dat voor één keer niet de verkeerde uitkomst produceert met de correcte procedure als deodorant eroverheen. Dat soort dingen. Klein, schamel, zeldzaam soms, maar precies daardoor van levensbelang. Ge hebt niet veel licht nodig om te zien waar ge loopt. Maar ge hebt wel licht nodig.

Dus ja, er zit cynisme in mijn taal. Natuurlijk zit dat daar. Wie een tijdje met open ogen heeft rondgelopen en nog altijd uitsluitend warme woorden produceert, is ofwel heilig, ofwel doof, ofwel te goed betaald om nog eerlijk te zijn. Maar vergis u niet, onder dat cynisme ligt geen leegte. Er ligt een hardnekkig, slecht behandelbaar stuk idealisme dat weigert te sterven, ook al krijgt het geregeld een schop in de ribben. Het moppert, het bijt, het lacht verkeerd en het schrijft stukken die sommigen te scherp vinden. Maar het is er nog.

Misschien is dat uiteindelijk de enige aanvaardbare vorm van idealisme voor volwassen mensen! Niet het glanzende soort dat zich verkoopt in campagnes en nieuwjaarstoespraken, maar het gehavende type. Het idealisme dat weet hoe vuil de grond is en toch nog iets probeert te planten. Dat niet blind is voor rot, maar weigert te geloven dat rot het enige is wat groeit. Dat zich niet laat verdoven door gemakzucht, noch door zijn eigen verbittering. Dat blijft wijzen, schrijven, spreken, omdat zwijgen nog altijd een slechter alternatief is.

Cynisme en sarcasme zijn dus niet het bewijs dat het idealisme verdwenen is. Ze zijn hoogstens de dorens rond iets dat men te vaak onbeschermd heeft laten staan. En als ge mij dan toch wilt verwijten dat ik scherp ben, verwijt dan vooral de omstandigheden die die scherpte nodig hebben gemaakt. Ik was met plezier zachter geweest, als de wereld minder hardnekkig had aangedrongen op slijtage.

Geef een reactie

Deze website gebruikt cookies. Door deze website te gebruiken gaat u hiermee akkoord  Meer info