
Gisteren hoorde ik op het nieuws een cijfer dat tegelijk droog, technisch en onthullend was. Dertig procent van de Vlaamse medemens voelt zich door niemand vertegenwoordigd. Niemand. Geen partij, geen gezicht, geen slogan, geen zorgvuldig geföhnde verlosser in maatpak die hen het gevoel geeft dat hun belangen ergens nog op een tafel liggen waarop ook effectief beslist wordt. Dertig procent. Dat is geen randverschijnsel meer. Dat is geen folkloristische verzameling moppersmurfen met te veel tijd en te weinig nuance. Dat is een menigte. Een flink stuk volk dat rondloopt met het gevoel dat de democratie voor hen ongeveer dezelfde gebruikswaarde heeft als een kapotte paraplu in slagregen.
En het fraaiste van alles, dat aantal zou ongeveer even groot zijn als het aantal mensen dat zich wél vertegenwoordigd voelt door een van de grote namen van het moment. Dat is geen detail, maar een wrange evenwichtsoefening. Aan de ene kant de schare gelovigen, aan de andere kant een even grote kudde verweesden. Het zegt veel over de staat van het huis wanneer evenveel mensen zich thuis voelen in de woonkamer als buiten op de stoep, in de regen, zonder sleutel.
Nu zou een ondernemer daar meteen een kans in zien. Die mensen zien in alles een kans. Een overstroming is voor hen een logistieke opportuniteit. Een burn-outgolf een markt voor mindfulness met abonnement. Eenzaamheid wordt een app. Dakloosheid een woonuitdaging. De taal van de ondernemer is de kunst om andermans gebrek aan grond onder de voeten te herformuleren als een veelbelovend businessmodel. Dus waarom zou politieke verlatenheid niet gewoon een gat in de markt zijn? Dertig procent potentiële klanten, pardon, burgers, die zich niet aangesproken voelen. Daar moet toch iets mee te doen zijn.
Misschien moet iemand hen vertegenwoordigen. Niet in het parlement, waar men vooral leert hoe men een vraag kan ontwijken met twaalf minuten procedureel gekwetter en een document van vijftig bladzijden waarin niets staat dat een mens niet ook op een bierviltje had kunnen neerschrijven. Niet in een regering, waar verantwoordelijkheid doorgaans zo lang wordt rondgepompt tussen kabinetten, administraties en studiediensten tot niemand nog weet wie de kraan heeft opengezet en iedereen wel zeker weet dat het zijn fout niet was. Nee, laat ons bescheiden blijven. Stuurman aan wal. Betweter van dienst. Professioneel roeperige observator zonder dienstwagen, onkostenvergoeding of pensioenregeling die de gemiddelde sterveling pas ziet na drie levens voorbeeldig afzien.
Ik zie dat eigenlijk nog wel zitten.
Niet omdat ik de illusie koester dat ik een volk zou kunnen leiden. Volken leiden is meestal gewoon een chiquere benaming voor hen met voldoende volume dezelfde verkeerde richting uitsturen. Maar als woordvoerder van de verweesden, de niet-vertegenwoordigden, de burgers die elke vier jaar naar het stemhokje stappen zoals men naar de tandarts gaat, niet uit vertrouwen maar omdat men nu eenmaal iets moet doen, daar zit potentieel in. Geen verlossing, geen ideologisch vuurwerk, geen fanfare van beloften die later toch in de gracht belanden. Gewoon iemand die hardop zegt wat een aanzienlijk deel van de mensen allang vermoedt. Dat men in dit land uitstekend vertegenwoordigd wordt zolang men geen al te afwijkende vragen stelt, geen te onhandige problemen heeft en vooral niet verwacht dat de machine zich ook maar één millimeter naar u schikt.
Want dat is natuurlijk het ware drama van vertegenwoordiging. Het gaat zelden om ideeën. Daar doen politici graag over alsof het daar nog om draait, zoals kinderen doen alsof de poppen leven. In werkelijkheid gaat het om herkenning. Om het vermoeden dat iemand uw taal nog spreekt zonder ze meteen te vermalen tot campagnebrokken. Dat iemand uw ergernis begrijpt zonder ze onmiddellijk om te vormen tot een hashtag, een beleidsnota of een folder met foto’s van mensen die net iets te hard lachen. Mensen willen niet per se een visionair. Ze willen iemand die niet klinkt als een defecte folderhouder op pootjes.
En net daar wringt het schoentje al jaren tot op het bot. De politieke klasse spreekt veel, maar zelden nog menselijk. Men produceert zinnen die voelen alsof ze eerst door vier communicatiemedewerkers, twee juristen en een angstige stagiair zijn gekneed tot elke scherpe rand verdwenen is. Wat overblijft is lauwe puree. Eetbaar, technisch, veilig en volkomen vergeetbaar. De kiezer krijgt dan de keuze tussen varianten van dezelfde gezichtsloze degelijkheid, afgewisseld met enkele beroepsschreeuwers die weliswaar verstaanbaar spreken, maar meestal met de morele finesse van een bulldozer in een bloemenwinkel.
Geen wonder dat dertig procent afhaakt.
Die mensen zijn niet noodzakelijk apathisch. Dat is ook zo’n gemakkelijke leugen. Zodra burgers niet enthousiast knikken bij het zoveelste politiek toneelstuk, noemt men hen cynisch, vervreemd of populistisch vatbaar, alsof de fout altijd bij het publiek ligt wanneer de voorstelling slecht is. Misschien zijn ze gewoon niet dom, misschien zien ze dat de afstand tussen burger en bestuur intussen zo groot is geworden dat men er tolpoorten op zou kunnen zetten. Of misschien ruiken ze wat iedereen ruikt die lang genoeg in de buurt van instellingen heeft rondgelopen, de geur van procedure, zelfbehoud en beleefd uitgestelde verantwoordelijkheid.
Vertegenwoordiging is immers niet hetzelfde als aanwezigheid. Dat er iemand in een parlement zit die, op papier, uw regio, belangengroep of taalgebied mee vertegenwoordigt, wil nog niet zeggen dat u ook maar ergens in zijn denken voorkomt. Zoals een receptionist ook niet noodzakelijk toegang heeft tot het gebouw waarvan hij de voordeur bewaakt. Men kan u perfect meenemen in statistieken, kiesarrondissementen en beleidsdocumenten en u tegelijk volledig negeren in de praktijk. U bestaat dan als categorie, niet als mens. Als datapunt. Als schuifje in een grafiek. Dat is ongeveer de modernste vorm van onzichtbaarheid.
Dus ja, misschien moet er dan maar een parallelle vertegenwoordiging komen. Niet officieel, niet verkozen, niet bezoldigd. Een soort geestelijke vakbond voor de ontgoochelden en de cynici. Een dienst voor burgerlijk gemor. Een loket waar men de achtergelaten frustraties, vastgelopen redelijkheid en niet-gehoorde bezwaren nog eens kan binnenbrengen zonder eerst drie formulieren, vier logins en een identiteitscontrole met SMS-code te moeten doorstaan. Niet om de macht te grijpen, laten we redelijk blijven, zoveel tijd heb ik nu ook weer niet over, maar om haar voortdurend op de vingers te tikken wanneer ze (de macht) zichzelf weer eens verwart met noodzaak.
Ik hoor de kritiek al. Nog een stem, nog een mening, weeral zo een man die vanop veilige afstand uitlegt hoe het beter moet. Alsof er niet al genoeg stuurmannen aan wal zijn. Dat klopt. Er zijn er massa’s. Het land zit er vol van, zoals een oud matras volzit met veren die op de verkeerde plaats prikken. Maar de meeste van die stuurmannen zijn verkapte verkopers, partijpapegaaien of mannen met een microfoon en een mening die uitsluitend uit lucht bestaat. Het verschil zit niet in het volume, maar in de bereidheid om iets te zeggen dat niet vooraf op electoraal rendement is afgerekend.
Er hangt natuurlijk geen parlementaire wedde aan vast. Geen enveloppe voor representatiekosten en ook geen chauffeur die u van verontwaardiging naar verontwaardiging voert. Geen pensioen dat aanvoelt alsof ge uw hele carrière uitzonderlijk zwaar werk hebt verricht door af en toe ernstig te kijken op de tweede rij. Dat is jammer, maar men moet ook iets overhebben voor het algemeen belang. Al was het maar omdat dat algemeen belang de laatste jaren vooral wordt gebruikt als alibi door mensen die er opvallend comfortabel van blijken te leven.
En toch, misschien zou het al helpen mocht iemand voor die dertig procent hardop formuleren wat zij allang weten. Dat hun onbehagen geen afwijking is. Dat hun gevoel van niet-vertegenwoordigd zijn niet voortkomt uit ondankbaarheid of politieke ongeletterdheid, maar uit een eenvoudige waarneming dat het systeem uitstekend in staat is zichzelf te reproduceren, maar steeds slechter wordt in het herkennen van de mensen voor wie het beweert te bestaan.
Dat is geen revolutie. Geen nieuw partijproject. Geen mars op Brussel met vlaggen, trommels en enthousiaste sukkelaars die achteraf weer vergeten worden. Het is iets veel eenvoudigers en misschien daarom bruikbaarder. Het is een hardnekkige weigering om te doen alsof alles nog geloofwaardig is zolang er verkiezingen worden gehouden en stembiljetten netjes gevouwen raken. Democratie is meer dan de bevolking om de zoveel jaar uitlaten als een hond die daarna weer binnen moet.
Misschien ben ik dus wel bereid die dertig procent te vertegenwoordigen. Niet als redder, God verhoede. Redders zijn meestal het begin van een volgend probleem. Maar als slechtgeluimde tolk van een groot niemandsland. Als vertaler van burgerlijke vermoeidheid. Als iemand die, vanaf de zijlijn, blijft zeggen dat een samenleving die zoveel mensen onbeheerd laat rondlopen, niet moet verbaasd zijn wanneer die mensen op den duur ophouden haar ernstig te nemen.
En eerlijk, dat lijkt mij nog altijd nuttiger werk dan de helft van wat men vandaag professioneel “vertegenwoordigen” noemt.