
Afgelopen week was er een barbecue. U kent dat type bijeenkomst, een ritueel waarbij de lokale fauna in formatie komt opdraven, zoemend aan het oor of schuifelend langs de enkels, in de ijdele hoop dat er ergens een stuk gemarineerd kadaver uit de hemel valt. Het begint doorgaans met een man die vuur verwart met persoonlijkheid. Meestal is het ook de man die het luidst spreekt en het minst zegt. Gewapend met een halve verpakking aanmaakblokjes en de zelfzekerheid van een middelmatige veldheer zet hij het toestel in brand, zichzelf bijna inbegrepen, waarna hij de rest van de avond rondloopt met het gezicht van iemand die zijn wenkbrauwen aan de vooruitgang heeft geofferd.
Daarna treedt steevast een kordate vrouw naar voren die zich, bij gebrek aan ernstige tegenstand, tot opperbevelhebber van het rooster uitroept. Na enige logistieke mislukkingen zoals een ontsnapte worst, een verkoolde brochette, wat vlees dat op de grond de vrijheid verkiest, komen uiteindelijk de ribbetjes op het vuur. Dat is ook meteen de enige verdedigbare reden om op zo’n bijeenkomst aanwezig te zijn. En dan krijgt ge ze voorgeschoteld, overgaar, in een zwartgeblakerde jas, op een kartonnen bord dat al doorbuigt bij het idee van saus, voorzien van houten bestek dat even bruikbaar is als een vroom voornemen. Ge eet die dingen niet, ge worstelt ermee. Uw hemd eet gegarandeerd mee.
Zodra de magen gevuld zijn en de eerste vettige stilte is gevallen, begint het tweede bedrijf: de mannenpraat. Dan zonderen een paar exemplaren zich af, ver genoeg van de rest om belangrijk te lijken, dicht genoeg bij elkaar om elkaar in leven te houden. Bier in de hand, borst vooruit, verhalen in de mond. Zo weet ge dat de zomer begonnen is, ongeacht temperatuur, kalender of beschaving.
Die gesprekken verlopen volgens een oeroud stramien. De haan die zich het hoogst op de mesthoop waant, opent met een flauw grapje. De man die lager in de pikorde hangt, begint met een roddel. “Weet ge het al van…” Alsof het doorgeven van andermans vuil hem plots een verdieping hoger in het gebouw van de mannelijkheid zet. Daarna volgen de snufjes. De nieuwe telefoon. De nieuwe app. De nieuwe wagen, fiets, barbecue, smartwatch of ander blinkend stuk nutteloze vooruitgang dat een volwassen man weer even laat glanzen als een kind met een plastic zwaard.
Enkele pinten later schuift het gesprek vanzelf naar de partners. Dan wordt het pas echt een barbeque. Wat volgt is geen uitwisseling van leed, maar een competitie in gecontroleerde miserie. Wie ziet het meest af? Wie sleept de zwaarste ketting? Wie woont samen met het lastigste wezen? Er wordt geklaagd met de ernst van staatszaken en de geloofwaardigheid van cafétheater. De waarheid doet er intussen al lang niet meer toe. Die is tegen dan opgelost in pils.
Vervolgens komen de heldenverhalen, want na het klagen moet het ego weer gevoederd worden. Elk vertelt een anekdote waarin hijzelf, toevallig, de verstandigste, geestigste of moedigste figuur blijkt. Het zijn verhalen met de structuur van een reclamefolder en de waarheidswaarde van een visserslatijn. Maar ze doen hun werk, ze smeren de groep aaneen, houden de ijdelheid warm en vullen de tijd tot men aan sport kan beginnen. Ook dat wordt dan nog grondig ontleed, met de gewichtigheid van een parlementair debat en ongeveer dezelfde opbrengst.
Ten slotte verschijnen de partners, beleefd kuchend, als verpleegkundigen op een ontspoorde afdeling. Het is tijd om te vertrekken. Morgen moet er weer gewerkt worden, wat in deze contreien nog altijd als een argument geldt. Het afscheid is hartelijk op de manier waarop dronkenschap dat dicteert, luid, herhaald, licht sentimenteel en vol beloften die niemand zal onthouden. Daarna schuiven de koppels huiswaarts, elk in hun eigen stadium van vermoeidheid, verzadiging en onderhuidse ontbinding.
“En?” vraagt mijn vrouw dan. “Hebt ge u geamuseerd? Jullie hadden het precies druk.”
“Ach,” zeg ik dan. “Ge kent dat. Mannenpraat.”