
Vandaag begint de zomer, weerkundig althans. Dat werd ons meteen duidelijk gemaakt met de fijngevoeligheid van een deurwaarder op een vroege maandagochtend. De lente pakte haar biezen zoals slechte huurders dat doen, met bliksem in de gang, hagel op het dak en water op plaatsen waar ge het liever droog houdt. Groei en bloei, zo noemt men dat seizoen dan. Alsof de natuur niet vooral een fabriek is waar ook het overbodige uitstekend gedijt. Niet alleen gras, onkruid en ander groen spul schiet op, ook menselijke tenen blijken in deze periode een ongezonde lengtetoename te kennen. De plensregen van gisteren heeft daar kennelijk nog een schep mest bovenop gegooid.
Waarom dat het vermelden waard zou zijn, is op zichzelf al een raadsel. Het is dat ook niet. Alleen had ik vandaag het ongeluk om een van die buitenproportionele tenen onder mijn schoenzool te vinden. Zoiets gebeurt. Ge zet een stap, ge hebt geen kwaad in zin, en voor ge het weet hebt ge een complete innerlijke operette voor u staan. Gekrenkte waardigheid, opgetrokken wenkbrauwen, verongelijkte ademhaling en dat onmiskenbare theater van mensen die hun gevoeligheid dragen als een geladen wapen, in de hoop dat iemand dom genoeg is om het af te laten gaan.
Er is namelijk een bijzonder slag mens dat van elke opmerking meteen een beginselkwestie maakt. Ge zoudt bijna denken dat ze ’s morgens opstaan met het vaste voornemen die dag persoonlijk beledigd te raken, desnoods door het weerbericht, een verkeerd geplaatste komma of een blik die niet warm genoeg werd voorverwarmd. Hun tenen liggen niet gewoon in de weg. Ze worden, zo vermoed ik soms, met opzet midden op het trottoir gelegd, als morele struikeldraad. En o wee als ge er dan overheen stapt. Dan moet er kabaal komen. Dan moet er gekraak zijn, verontwaardiging, een kleine storm van woorden waarin vooral veel lucht wordt verplaatst en bitter weinig verstand.
Met de wijsheid der jaren zou een mens dan denken, allez, laat maar. Niet elk lawaai verdient een antwoord, zoals niet elke hond die blaft ook een gesprekspartner is. Ge zegt dus dat ge geen zin hebt in die discussie en ge wandelt verder, in de hoop dat de storm zichzelf wel beu wordt. Maar ook dat blijkt voor de bezitters van zulke monumentale tenen een nieuwe krenking. Niet alleen moeten ze pijn hebben, ge moet blijkbaar ook getuige blijven van hun kommer, haar ernstig nemen, haar bevestigen, en liefst nog schuld bekennen op een manier die hun innerlijke dramaturg voldoening schenkt. Anders telt het niet.
Ge kunt dus niet winnen. Meegaan in het verbale onweer is verkeerd, want dan geeft ge zuurstof aan iets dat al lang zonder inhoud verder walmt. Verder stappen is ook verkeerd, want dan ontneemt ge de ander het podium waarop hij zichzelf zo gaarne als tragische hoofdpersoon komt uitstallen. Het is een onzuiver soort ijdelheid, de dwang om van elke wrijving een morele amputatie te maken. Men ziet het vaker tegenwoordig. De huid is dun, het ego week, en de verontwaardiging ligt als los zand over alles heen. Eén stap, en het stuift op.
Geef mij dan maar het einde van de lente. Donkere wolken, een fikse bui, wat gedonder en daarna de opluchting van iets dat tenminste voorbijgaat. Het weer maakt kabaal zonder nadien bevestiging te eisen. Het slaat in, gutst leeg en houdt daarna op met zichzelf belangrijk te vinden. Daar zou menig medemens nog iets van kunnen leren. Een wolk heeft tenminste de goede smaak niet langdurig gepikeerd te blijven omdat iemand haar nat noemde.