
Vanaf het ogenblik dat ge uwe mond nog maar opendoet en iets zegt dat in de verte op een opinie lijkt, slaat de val dicht. Niet omdat ge noodzakelijk ongelijk hebt, maar omdat er altijd wel iemand rondloopt die in uw woorden met wat wringen, sleuren en verdraaien een vijandbeeld kan vinden dat hem goed uitkomt. En dan hangen ze eraan. Met klauwen, haken en de grimmige gretigheid van mensen die al dagen niets anders meer hebben gegeten dan hun eigen verontwaardiging. Van links tot rechts, van morele heilige tot nationale brombeer, zodra er iets te bijten valt, komen ze in troepen.
Wat dan volgt, is zelden een gesprek. Het is eerder een collectieve loozing van ondoordachte onzin, beledigingen en ander verbale afval dat men blijkbaar te lang inwendig heeft laten gisten. De leeuwen van het “respect voor eigen volk” blijken hun eigen volk doorgaans met de grootste minachting te bejegenen zodra dat volk iets zegt wat hun niet past. De zelfverklaarde kampioenen van empathie en menselijkheid slaan u dan weer met een rood kartonnen hart om de oren terwijl ze intussen de meest harteloze vuiligheid uitbraken. Men noemt dat een debat, maar het lijkt vaker op een wedstrijd in ontmenselijken. Wie kan de ander het snelst reduceren tot karikatuur, mikpunt of vijand.
Dat is het smerigste aan die hele vertoning. Niet eens de grofheid op zich, vuilbekkerij is zo oud als de mens, maar de gemakzucht waarmee men een ander eerst uitkleedt tot etiket en hem daarna met woorden begint af te ranselen alsof hij geen mens meer is, maar een oefenpop voor de eigen frustratie. Dat heet dan meningsvrijheid, terwijl het in wezen vaak niets meer is dan lafheid met punten, komma’s en vooral veel uitroepingstekens.
Woorden kunnen natuurlijk wonden slaan. Dat bewijzen die stumpers dagelijks die hun taal gebruiken zoals kinderen een stok gebruiken, om iets te prikken waarvan ze niet begrijpen dat het leeft. Maar woorden kunnen meer dan kwetsen. Ze kunnen verzoenen, verbinden, iets openleggen wat anders dichtgeslibd zou blijven. Ze kunnen schoonheid dragen, liefde tillen, een gebroken hart voorzichtig bij de schouders nemen en zeggen: kom, rechtstaan, we proberen het nog eens. Woorden zijn geen wegwerpgerei. Ze zijn gereedschap. Breekijzers, soms. Hechtdraad, op andere dagen.
En precies daarom stoort het zo dat sommigen ze uitsluitend gebruiken om te haten, op te zwepen en zichzelf achter lawaai te verbergen. Want dat is wat er meestal onder zit, geen kracht, maar leegte. Geen overtuiging, maar onzekerheid in een slecht passend harnas. Hoe harder men huilt, tiert en schuimbekt, hoe duidelijker vaak wordt hoe weinig er overdag van die mens overblijft zodra hij zonder publiek, zonder profiel en zonder echo van zijn eigen grootspraak moet bestaan.
Laat hen dus maar roepen. Ik laat het slaan met woorden liever over aan mensen die het ambacht verstaan. Niet aan de eerste de beste nachthuiler die denkt dat volume hetzelfde is als gewicht. Wie echt met taal kan omgaan, weet dat een goed geplaatste zin meer openbreekt dan duizend domme beledigingen ooit kunnen dichttimmeren.