URL has been copied successfully!

Geseling met bonuskaart

URL has been copied successfully!
asociaal gedrag in de supermarkt

Winkelen is tegenwoordig geen huishoudelijke bezigheid meer, maar een beproeving. Er was een tijd dat ge rustig door de rekken kon schuiven, een keuze maken, desnoods zelfs een praatje slaan zonder dat men u bekeek alsof ge met natte schoenen de hoogmis zijt binnengewandeld.

Spreekt ge vandaag iemand aan in een winkel, dan krijgt ge eerst die blik. Ge kent ze. Van het gezicht naar uw schoenen, dan traag terug omhoog, met onderweg een kort oponthoud ter hoogte van het misprijzen dat men voor u heeft. Alsof ge niet naar mosterd vraagt, maar naar een orgaandonatie. Als ge geluk hebt, krijgt ge daarna een grom, een kinbeweging of een soort verbaal schraapsel in de richting van het juiste rek.

Nu ben ik niet van het type dat zich graag laat afblaffen zonder op zijn minst te willen weten uit welke stal de wind komt. Dus vroeg ik, met de vriendelijkste stem die een mens in zo’n omgeving nog bijeen kan schrapen: “Excuseer mevrouw, ik vroeg gewoon waar de mosterd stond,” terwijl ik haar het boodschappenbriefje van mijn vrouw onder de neus schoof, dat zoals gebruikelijk was opgesteld in een handschrift dat nog het meest leek op een medische waarschuwing.

“Meneer,” zei ze, in een toon die zo lang in minachting had liggen weken dat alle menselijkheid eruit was getrokken, “u hebt zelf toch ook ogen? Bovendien ben ik hier geen personeel. Ik ben klant.” Dat waren twee feiten die zelfs ik nog net zelfstandig had kunnen afleiden. Maar haar toon zei meer dan haar woorden. Sommige mensen spreken zoals een afvalcontainer opengaat: bruusk, warm en met een geur van rottend karakter.

Het volgende obstakel stond al klaar bij de frisdranken, in de gedaante van een jonge kerel die blijkbaar een existentieel vraagstuk moest oplossen tussen achttien soorten energiedrank. Ik wachtte beleefd, in de schamele hoop dat hij ooit zou merken dat de wereld buiten zijn schedel ook nog bestond. Zijn kar stond namelijk voor het bruiswater, het laatste item op mijn lijstje en tegen die tijd ook zowat mijn laatste restje goede wil.

“Sorry kerel, mag ik even?” zei ik uiteindelijk tegen zijn rug. Geen reactie. Ik herhaalde het iets luider, maar ik had evengoed tegen een diepvrieskist kunnen spreken. Met tegenzin tikte ik hem dan maar op de schouder, zoals men een slapend rund voorzichtig met de laars aanraakt om te zien of er nog leven in zit.

Hij schoot overeind, liet zijn smartphone bijna vallen en keek me aan met de verongelijkte woede van iemand die uit een heilige rite werd weggerukt. Hij zat, zo bleek, niet na te denken maar een spelletje te spelen op dat lichtgevende zieltjeszuigertje.

“Sorry,” zei ik, ook wat geschrokken, “ik wil alleen maar—”

“Wat?” blafte hij, luider dan de situatie op enig moment vereiste.

“Ik wilde alleen maar…” herhaalde ik, wijzend naar het bruiswater. Hij keek in die richting alsof ik hem net een sterrenkaart had voorgelegd, haalde zijn schouders op en draaide zich weer naar het rek, terug naar zijn scherm, waar vermoedelijk iets gebeurde dat in zijn hoofd meer bestaansrecht had dan een levende medemens.

Ik tikte hem nog eens aan. “Wat is het, kerel, zoekt ge boel?” zei hij nu, met de opgeblazen bravoure van iemand die lichamelijk aanwezig is maar geestelijk al jaren in de uitverkoop ligt.

“Neen, neen,” zei ik, “ik wil alleen maar—”

“Wat?” zei hij opnieuw, alsof de wereld hem zonder waarschuwing een tweede keer had lastiggevallen, terwijl hij een oortje uit zijn schedel trok. “Ik hoor niets. Ge ziet toch dat ik naar muziek luister.” Het was een opmerkelijke formulering voor iemand die al twee minuten midden in een supermarkt stond te fungeren als straatmeubilair.

“Sorry,” zei ik nogmaals, tegen beter weten in, “maar mag ik even het bruiswater nemen?”

“Pakt gij wat gij wilt, onnozelaar,” zei hij, waarna hij zijn dopje weer in zijn oor plantte en zich opnieuw aansloot op de navelstreng van zijn toestel.

Niet goedschiks dan maar slechtschiks, dacht ik, en ik duwde de kar opzij om eindelijk dat bruiswater te grijpen. Alleen had ik buiten een lange, magere dame gerekend die prompt opdook als een slecht geweten in mantelpak en mij bij het nekvel vatte.

“En waar gaan wij met mijn kar naartoe?” beet ze me toe. Ik stond daar met een pak bruiswater in de hand en de schaamte op mijn gezicht als een slecht afwasmiddel.

“Sorry mevrouw, ik wilde alleen maar een pak—”

“Een pak slaag?” vulde ze aan, snoof alsof de winkel naar mij rook, nam haar kar terug in bezit en schoof verontwaardigd verder, als een kraanvogel met wrok in de poten.

Dan denkt een mens, goed, dat hebben we gehad. Dus wandelde ik, angstvallig oplettend niemand nog per ongeluk tot levenslange vijand te promoveren, naar de kassa. Daar had ik zowaar geluk. Slechts één iemand voor mij. Ik wachtte geduldig terwijl achter mij de rij aangroeide tot een processie van uitpuilende karren en ingehouden ergernis.

Een oude man, met alleen een brood in de hand, sloot zuchtend een paar karren verder aan. Een beleefde mens, zo te zien, wat tegenwoordig al opvalt als een zeldzame vogel. Ik wenkte hem naar voren. Voor één brood kon ik gerust nog een minuut langer leven.

En dan denkt ge even een vriendelijke daad te stellen. Dat is doorgaans het moment waarop de samenleving u toont waarom zij daar zelf al lang mee gestopt is.

“Hé, wat denkt gij wel?” vroeg de man achter mij meteen. “Ik sta hier ook te wachten. Gaat ge mij ook voorlaten?”

“Euh, neen,” zei ik, “gij hebt een volle kar. Meneer daar heeft één brood.”

“Wachten voor hem duurt even lang als wachten voor mij. Waarom zou ik—” begon hij, met de logica van een man die rechtvaardigheid uitsluitend herkent wanneer ze op hem slaat.

“Ja, zijn wij soms minder belangrijk?” sprong de vrouw achter hem bij, alsof zij door het lot was aangesteld als minister van de gekrenkte voorrang. “Dat is een oude vent, die heeft tijd genoeg. Ik heb kinderen, een job…” Alsof drukte een moreel statuut verleent en ouderdom automatisch de wachttijd verdient.

Ik ben toen maar gestopt met luisteren. Tegen die tijd had de oude man zijn brood al betaald en begon de kassierster mijn boodschappen te scannen met de robotische plichtsgetrouwheid van iemand die geleerd heeft vooral nergens nog iets van te vinden. Ik betaalde, laadde alles in de auto en reed naar huis, alleen om daar te mogen antwoorden op de vraag waarom het zo lang had geduurd. Winkelen, het is de moderne variant van een geseling, maar dan met parkeerkaart en bonuskaart.

Geef een reactie

Deze website gebruikt cookies. Door deze website te gebruiken gaat u hiermee akkoord  Meer info