
Zoals elke vader met nog een greintje plichtsbesef in het karkas, sta ik op zondagochtend in de rij bij de bakker om koffiekoeken te halen. Aan de massa, al van meters ver zichtbaar als een vrome file met suikerdrang, wist ik dat ik ook deze week weer niet alleen was. Donuts, krentenkoeken, chocoladebroodjes, croissants, appelflappen, het hele assortiment ontbijtonzin dat een mens traag omlegt maar op zondag toch als een onvervreemdbaar recht wordt beschouwd. Een ritueel, kortom, zoals vijftig jaar geleden de hoogmis gevolgd door een pint in het café.
U kent dat tafereel even goed als ik. Ge sluit aan voor de deur, schuifelt enkele minuten later naar binnen en staat daar dan in devote spanning te wachten. Uiteraard let ge erop dat niemand u voorsteekt, maar nog belangrijker: ge houdt uw blik op de buit. Wee degene die voor uw neus de laatste chocoladebroodjes of appelflappen durft wegkapen. Op zondagochtend ligt de beschaving immers maar een halve koffiekoek verwijderd van instorting.
Door de jaren heen is dat alles draaglijk geworden. De meeste aanwezigen zijn vaste koekenjagers die ge elke week opnieuw ziet opdagen, met hetzelfde mandje, dezelfde jas en dezelfde bezorgdheid over de voorraad. Er staan ook buren tussen, zodat ge tussen het opletten en het inschatten door nog een praatje kunt slaan. Dat helpt. Het maakt van wachten tenminste nog iets wat niet volledig naar kleinburgerlijke overleving ruikt.
Maar vandaag was anders. In de winkel stond een man, de voeten stevig geplant in rubberen laarzen en een lijf als een boer die zonder hulp een stier tegen de grond kon werken. Zo iemand van wie ge spontaan vermoedt dat hij zijn kamerplanten met spade en riek verzorgt. En, tot ergernis van mijzelf en de rest van het wachtende volk, hij stond te bellen.
Op zichzelf is daar nog mee te leven. Een mens wil misschien even nagaan of hij de huiselijke bestelling correct begrepen heeft. Maar zodra iemand besluit dat de hele winkel mee moet kunnen genieten van dat overleg, met de telefoon voor de mond als een dienblad vol privéleven, wordt het ergerlijk. Niet een beetje. Grondig. Openbare telefonie is de moderne pest. Iedereen moet meegenieten van andermans logistiek, ruzies en gezinsplanning, alsof stilte alleen nog voor doden en bibliotheken is voorbehouden.
“Maar hoeveel moet ge er nu hebben? Drie flappen en zes donuts? En ons Lydia?” bulderde de man, luider dan de situatie, de winkel en het menselijk fatsoen op dat uur van de dag vereisten.
“Lydia gaat spelen bij Jeanneke, die vertrekt direct, die hoeft geen koeken,” krijste een vrouwenstem terug uit het toestel. Iedereen keek ondertussen overal heen, behalve naar de bellende boer. Met dat specifieke soort plaatsvervangende schaamte dat ge alleen voelt wanneer een ander zich zonder schroom in het openbaar uitgiet.
“Ja, ik ken dat, en sebiet heb ik koeken te kort. En wat als Simon binnenspringt?” ging hij onverstoorbaar verder, alsof wij met z’n allen per ongeluk op zijn gezinskeuken waren binnengelopen.
“Simon zit in Oostenrijk,” kreeg hij als antwoord. Wie Simon ook mocht zijn, wij wisten nu waar hij zich bevond. Een verrijking voor de algemene kennis waar niemand om had gevraagd.
Intussen schoof de rij op, maar de beller bleef staan waar hij stond, voor zich een vacuüm latend zoals alleen mensen dat kunnen die volledig opgaan in hun eigen lawaai. Enkele onder ons keken aarzelend naar dat gat, alsof het mijnenveld was. De vraag hing in de lucht: durft iemand voorbijsteken, of is dat het begin van een boerenoorlog tussen de carré confituurkoeken?
“Moet ik anders ook worstenbroodjes meebrengen?” loeide de man verder.
“En wie gaat die dan eten?” kreeg hij terug. De minachting droop in slierten uit de telefoon.
“Ik misschien, of mag dat verdomme niet?” kaatste hij geagiteerd terug.
“Gij zijt al vet genoeg,” was het weerwoord. Daarmee kreeg de hele winkel gratis relatieadvies, voedingsleer én conflictbemiddeling op de vroege ochtend.
Voor hij kon antwoorden, riep Annelies achter de toog: “Volgende.” En dat was, de telefonerende landbouwer even buiten beschouwing gelaten, blijkbaar ik. Juist, koffiekoeken. Ik glipte snel voorbij de man die nog volop een drukte discussie voerde over zijn worstenbroodjes, gaf mijn bestelling door en voelde mij heel even een deserteur in een conflict waar ik niets mee te maken wilde hebben.
Na betaald te hebben en een zak vol zondagochtendsuiker in ontvangst te hebben genomen, stapte ik naar buiten, groette nog wat buren en zette de wandeling naar huis in. De lucht was fris, de buit veilig, en achter mij ging het volk ongetwijfeld verder met zijn gebruikelijke zoektocht naar boter, glazuur en bestaansrecht.
Thuis stonden de kinderen al reikhalzend te wachten, verwikkeld in de gebruikelijke onderlinge competitie om de zak zo snel mogelijk uit mijn handen te rukken. De liefde van kinderen is op zondag een kwestie van bladerdeeg en chocolade.
“En, nog nieuws?” vroeg mijn vrouw.
“Jawel,” zei ik, “Simon zit in Oostenrijk.” Het was een antwoord. Het was ook de waarheid. En zoals wel meer waarheden op zondag had niemand er iets aan.