
Neem het van mij aan, dit verhaal heeft vanzelfsprekend niets te maken met de werkelijkheid waarin wij leven. Het is verzonnen van kop tot staart, met touw samengebonden en daarna nog eens zorgvuldig van alle herkenbaarheid ontdaan. Wie er zichzelf, zijn buurman, zijn partij, zijn favoriete volksmenner of zijn eigen kleine boosheid in meent te herkennen, doet dat geheel op eigen risico. Ik draag daar geen verantwoordelijkheid voor. Ik ben schrijver, geen verzekeraar tegen zelfkennis.
Het gebeurde dus in een totaal verzonnen landje, dat bij louter toeval sterk leek op het onze, maar daar uiteraard niets mee te maken had. In dat land was het verschroeiend warm. De zon goot gesmolten lood over daken, pleinen, parkings en hoofden. Asfalt werd stroop. Bakstenen zweetten oude warmte uit. Mensen sleepten zich voort alsof zij door een oven moesten waar men vergeten was het brood eruit te halen. Geduld, begrip en goed humeur dropen van de lijven, samen met zweet, deodorant en de laatste restjes beschaving. De wereld baadde in een onverbiddelijke zonneschijn. De mens, ondankbaar schepsel, werd daar niet vriendelijker van.
Aangezien men in dat land al lang geleden had besloten dat mensen vooral gelijk zijn in woorden, wetten en plechtige toespraken, was daar in de werkelijkheid weinig van te merken. Sommigen woonden in villa’s met dikke muren, stille kamers, rolluiken die als oogleden zakten en airco’s die de zomer buiten hielden als een bedelaar aan de deur. Anderen zaten in gestapelde kippenhokken, waar de muren de hitte eerst verzamelden en haar daarna ’s nachts weer uitbraakten boven slapende lichamen. Zwembaden waren voor de beter gesorteerden. Een opblaasbaar badje, een jankende ventilator en een strook schaduw golden al als vooruitgang voor wie niet te veel moest willen.
Voor velen bleef er een rijhuisje over met een koer waarop de stenen de warmte bewaarden als een rancuneuze schoonmoeder, of een appartement met een balkonnetje dat vooral bewees dat men ook buiten benauwd kon zitten. U begrijpt dat de hitte, die al meer dan een week het land regeerde, gespreksonderwerp nummer één was. In buurten, straten, dorpen en organisaties deden mensen wat mensen soms nog doen wanneer de beschaving niet helemaal is verdampt, ze brachten water, belden ouderen op, hielden een oogje in het zeil en deelden schaduw waar schaduw was. Maar er waren ook bewoners die garen dachten te spinnen bij het wegsmelten van rede, geduld en fatsoen. Waar asfalt week wordt, wordt geweten soms vloeibaar.
Zo waren er de handelaars die, zodra de nood aan ventilatoren, airco’s, koelmatten en andere attributen van moderne overleving duidelijk werd, hun prijzen verdubbelden of verdriedubbelden. Niet omdat de kost plots driemaal zo hoog was geworden, maar omdat de wanhoop van een zwetende mens nu eenmaal een marktsegment is. Ondernemerschap, noemden zij dat wellicht. Een proper woord, goed gestreken, waaronder de hebzucht haar vettige handen kon verbergen.
En dan waren er natuurlijk de dolgedraaide politici. Getrouw aan hun gewoonte hielden zij het hoofd koel, niet door verstandig te worden, maar door de hitte van anderen te gebruiken als brandstof voor hun eigen vuurtje. Oplossingen zoeken was lastig, traag en slecht voor de camera. Verontwaardiging daarentegen is goedkoop, snel warm en makkelijk in porties te verdelen. Stemmen winnen bleef voor hen een munt die harder blonk dan geld of goud. De burger zweette. De politicus rook campagne.
Zo was er de Josse, een geslepen geest en uiterst bedreven in de kunst van het woordverdraaien, het oppoetsen van halve waarheden en het ophitsen van geesten die bij deze temperaturen al aardig begonnen te koken. Waar een andere politicus de bevolking had aangeraden niet te veel te klagen over iets wat men toch niet kon veranderen, en desnoods aan een zwembad te gaan liggen met een pintje en een barbecue, was dat op zichzelf geen wereldschokkend advies. Het was zelfs betrekkelijk onschuldig. Lig neer, drink iets, eet iets, praat elkaar de temperatuur niet nog vijf graden hoger. Er zijn slechtere levenslessen.
Maar Josse was slimmer, of in elk geval leniger in het duister. Hij veranderde een eenvoudig woordje. Niet aan een zwembad, maar aan uw zwembad. Eén bezittelijk voornaamwoord, meer had hij niet nodig. De zin kreeg meteen een andere jas aan, duurder, hautainer, met een zakdoekje in de borstzak. Plots kon zij worden opgevoerd als bewijs van elitaire minachting, denigrerende neerbuigendheid en andere zware termen die bij warm weer beter zwellen dan brooddeeg.
En het is waar, beste lezer, ik heb waarschijnlijk net als u geen zwembad in mijn tuin. Bij deze temperaturen klinkt Josse zijn verdraaiing dus even smakelijk als een koude pint. Daar zat de kneep. Josse, die net als alle politici een loon ontving waarvan veel inwoners lichte duizelingen kregen, wist precies waar hij moest prikken. Die elitaire andere politicus, hoe durft hij. Wij zweten hier tussen baksteen en beton, en hij spreekt over zwembaden. Dat wij bij hitte nauwelijks nog de moeite doen om woorden en feiten na te kijken, wist Josse ook. Wij waren al boos. Het is dan bijna een verademing wanneer iemand ons een richting aanwijst waarin wij die boosheid mogen uitbraken.
Zo liet die handige Josse ons geloven dat hij aan onze kant stond en dat die andere kerel ons had beledigd. Dat is dus het soort oplichter dat graag onze stem wil hebben. Fijne lieden, die liegen en knoeien alsof het ambacht is, maar ondertussen doen alsof zij met hun schoenen in dezelfde modder staan. Ik was al oververhit, maar daarvan werd ik nog bozer. Ik word namelijk niet graag bedrogen door mensen die beweren ons te willen leiden. We hebben gezien waartoe dat kan leiden in Amerika, waar leugens ook ooit begonnen als handige praatjes en eindigden als puin op de trappen van de werkelijkheid.
En natuurlijk, dit blijft een volstrekt verzonnen verhaal. Maar in dat verzonnen land liepen nog meer rakkers rond. Van die kerels die met droge ogen beweerden dat de leugens over klimaatopwarming, samen met vreemdelingen, het echte probleem vormden. Zij sprongen gretig mee op de leugentrein, want bij hitte rijden zulke treinen blijkbaar altijd op tijd. Het was een uitgelezen kans om een rivaal te beschadigen en tegelijk nog eens tegen dezelfde oude zondebok te trappen. Dat de werkelijkheid hun onzin bijna dagelijks met een natte dweil in het gezicht sloeg, hinderde hen niet. Tal van bewoners volgden hen blindelings. Ook de gevolgen daarvan hebben we gezien in Amerika. Wie lang genoeg met vuur speelt, moet niet verbaasd opkijken wanneer zijn vlag begint te branden.
Maar goed, de verlossing was in aantocht. Binnen enkele dagen zou het ergste voorbij zijn, zo werd de bewoners van dat land meegedeeld door weermannen en weervrouwen, die beroepshalve nog enige omgang hadden met de werkelijkheid. Daarna kon iedereen weer normaal doen. De mensen zouden vriendelijker worden, handelaars zouden hun prijzen weer uit mededogen verlagen, politici zouden stoppen met elkaar te beschadigen en zich met vereende krachten inzetten voor het welzijn van allen. De rede zou terugkeren, het fatsoen zou zijn jas van de kapstok nemen en de waarheid zou nog eens worden uitgelaten. U ziet het: dit verhaal is volledig verzonnen.
U kan deze en andere teksten gratis downloaden als .pdf via het winkeltje