
Een stevige ochtendwandeling kan dezer dagen nog iets moois zijn. De temperatuur houdt zich rond een draaglijke twintig graden, de zon heeft nog niet de grofheid van de middag en de wereld zwijgt, voor zover zij dat kan. De dag ligt erbij als een onbewerkt veld, wat onkruid hier, wat kluiten daar, maar nog zonder voetsporen. Men kan dan even denken dat men zelf zal bepalen wat er gezaaid of geoogst wordt. Dat is een aangename vergissing. De mens leeft van dergelijke vergissingen zolang ze hem worden gelaten.
De wereld heeft de onhebbelijke gewoonte onze plannen te doorkruisen, niet uit wreedheid, vermoedelijk zelfs niet uit bedoeling, maar omdat zij haar eigen ritme houdt. Wandelen helpt mij dan om te zien wat er nog staat. Om na te gaan of de wereld nog dezelfde is als gisteren. Natuurlijk is zij dat. En natuurlijk ook niet. Dingen verschuiven zelden met veel lawaai. Meestal merkt men het pas wanneer men op een vertrouwde plek komt en iets ontbreekt zonder dat de lucht ervoor waarschuwt.
Het was nat vanochtend. Regen en onweer, neem ik aan, al heb ik er zelf niets van gemerkt. Hier en daar lag de schade klaar om bekeken te worden. Een afgevallen tak, een platgeslagen bloem, aarde die van haar plaats was gelopen. Men kan daarom treuren. De tak wordt er niet lichter van en de bloem komt er niet rechter door. Toch blijft men even staan, alsof kijken een kleine vorm van herstel is. Daarna moet men verder. Niet omdat men daar zin in heeft, maar omdat stilstaan zelden een bestemming is. Een wandeling duldt medelijden, maar niet eindeloos. Vroeg of laat trekt zij aan uw mouw.
Een wandeling is altijd minder zeker dan zij bij vertrek lijkt, zeker wanneer er een storm is gepasseerd. Ge kunt vooraf een route hebben uitgestippeld, met keurige lijnen in het hoofd, maar plassen, modder en omgewaaide dingen hebben weinig eerbied voor menselijke planning. Veel zeggenschap hebt ge daar niet over. Ge kunt over het obstakel stappen, eromheen gaan, of er toch doorheen banjeren en uzelf wijs maken dat natte schoenen karakter vormen. Soms maakt dat de tocht moeilijker. Soms onmogelijk. En soms, tegen beter weten in, iets meer van u.
Welke weg men ook neemt, elke wandeling komt ergens tot een einde. Dat is geen grote wijsheid, hoogstens een vaststelling met modder aan de zolen. En zoals elke wandelaar weet, gaat men niet alleen om vooruit te komen. Men gaat ook om ooit weer terug thuis te geraken. Al is thuis, na sommige tochten, nooit helemaal dezelfde plaats.