URL has been copied successfully!

De vijf‑minutenmythe en wat ge eraan kunt doen

URL has been copied successfully!
De vijf minutenmythe

Kent u dat soort mensen die uw dag met de finesse van een inbreker komen binnendringen, hun voet tussen de deur netjes verpakt als ‘een klein vraagje’? Ze verschijnen altijd op momenten waarop u net bezig bent met iets dat wél dringend is, wél belangrijk is en wél uw verantwoordelijkheid. Hun stem klinkt dan alsof ze u een gunst komen vragen die nauwelijks tijd kost, “Als ge een paar minuutjes hebt… het is echt niet veel werk.” Die paar minuutjes zijn hun favoriete lokaas, het is een tijdsinschatting die zo ver van de realiteit staat dat men zich afvraagt of ze ooit al eens een klok hebben bekeken zonder ertegen te liegen. Dat is de vijf-minutenmythe!

Iedereen weet hoe dat afloopt. Wat zij “een paar minuten” noemen, groeit uit tot een halve dag, soms zelfs tot een volledige. Het begint altijd onschuldig, een vraagje, een probleempje, een dingetje. Maar zodra u uw laptop opent, uw pen vastneemt of uw hersenen inschakelt, blijkt dat hun “klein vraagje” een soort administratieve tumor is die zich in uw planning nestelt en alles opzij duwt wat u eigenlijk moest doen.

Ik heb daar een standaardantwoord voor, ongeacht rang, stand of zelfverklaarde belangrijkheid: “Als het maar een paar minuutjes kost, dan kunt ge het beter zelf doen.” Dat is geen onvriendelijkheid, dat is pure logica. De tijd die het hen kost om mij dat vraagje te komen stellen, is meestal al langer dan die zogezegde paar minuten. Zelf doen zou dus voor iedereen tijd besparen, maar dat inzicht is blijkbaar te hoog gegrepen.

Dan volgt steevast de klassieke tegenaanval, “Maar gij kunt dat veel beter dan ik.” Dat is vleierij van het goedkoopste soort, een dun laagje stroop dat al jaren niet meer plakt. Het is de verbale variant van iemand die u een koekje aanbiedt waar hij zelf al aan heeft gebeten. “Dat kan wel zijn,” antwoord ik dan, “ik ben nu eenmaal slimmer dan gij. Maar als ge het zelf wat vaker zoudt doen, zoudt ge het minstens even goed kunnen.” Meestal valt het dan stil. De blik wordt wazig, de mond valt halfopen, en men druipt af op zoek naar een ander slachtoffer dat nog vatbaar is voor hun geweeklaag.

Soms komt er een bottere reactie: “Dat is mijn taak niet.” Dat is altijd een plezierige variant, want het antwoord ligt klaar als een mes op een snijplank: “Ook niet die van mij.” Klaar. Af. De lucht is meteen helder, en opnieuw mogen ze verder trekken, op zoek naar een gewilliger schaap dat hun werk wil dragen.

Vandaag kreeg ik een zeldzamere variant voorgeschoteld.  De variant waarbij men ergens de moed vindt om de eigen onkunde te etaleren, al dan niet gemeend. “Maar ik kan dat helemaal niet.” Dat is het beste excuus, natuurlijk. Het is de ultieme poging om incompetentie te verpakken als onschuld. “Hoe,” vraag ik dan, “komt ge dan tot het waanzinnige idee dat dit maar een paar minuutjes duurt? Dit is minstens werk voor een hele dag.” Daar valt natuurlijk weinig tegenin te brengen wanneer ge onkundig zijt, zelfs niet voor iemand die zichzelf graag belangrijker acht dan zijn functieomschrijving.

En dan komt mijn favoriete techniek, speciaal voor mensen van rang en stand die denken dat hun titel ook mijn tijd bezit. “Luister,” zeg ik dan, terwijl ik mijn planning toon, “ik zal dit doen. Maar dit hier” en ik wijs op de lijst “zijn de zaken die ik vandaag moet afwerken. Mensen wachten daarop. Als gij al die mensen nu even opbelt” en ik bied vriendelijk mijn telefoon aan, om elk excuus te elimineren “en zegt dat zij moeten wachten omdat uw job voorgaat, dan begin ik er direct aan.”

Dat is toch vriendelijk van mij? Ik bied hen zelfs de telefoon aan, alsof ik hen een glas water geef in een woestijn. Maar ze drinken nooit. Ze kijken naar dat toestel alsof het een explosief is dat elk moment kan afgaan. Want dat is het ook, het wapen dat hun illusie van belangrijkheid doorprikt. De gedachte dat ze iemand moeten opbellen om te zeggen dat hun eigen taak plots belangrijker is dan die van een ander, is voor hen ondraaglijk. Ze willen dat ik het oplos, maar ze willen niet dat iemand weet dat ze het niet zelf kunnen.

En hoe vaak denkt u dat ze dat jobke van “een paar minuutjes” dan nog doorduwen? Juist. Zelden of nooit. Ze trekken hun vraag in, mompelen iets onverstaanbaars en verdwijnen. Soms komen ze later terug met een andere smoes, soms sturen ze iemand anders, soms proberen ze het via een omweg. Maar het resultaat blijft hetzelfde

Het heeft me jaren gekost om deze techniek te verfijnen. Jaren van kleine vraagjes, grote vraagjes, idiote vraagjes, vraagjes die vermomd waren als complimenten, vraagjes die verpakt waren als noodsituaties, vraagjes die zogezegd dringend waren maar eigenlijk alleen dringend waren in hun hoofd. Jaren van mensen die dachten dat mijn tijd een soort open buffet was waar ze naar believen konden opscheppen.

Maar nu werkt het. Nu is het een systeem. Een afweersysteem. Een elegant schild tegen de eeuwige stroom van mensen die hun werk willen dumpen op iemand die het “toch beter kan”. En ik geef het u graag cadeau. Niet omdat ik zo’n goed mens ben, maar omdat ik weet dat u het vroeg of laat nodig zult hebben. Want die mensen verdwijnen nooit. Ze planten zich voort, we worden gepromoveerd, krijgen titels en bureaus met ramen. Ze krijgen badges en naamkaartjes. Maar ze blijven dezelfde, tijdrovers met een glimlach, werkafschuivers met een compliment, incompetenten met een vraagje.

En u zult ze herkennen. Aan hun stem, hun blik, hun openingszin. En vooral aan hun “vijf minuutjes”. En dan weet ge nu wat ge moet doen.

Download de weekteksten hier gratis als .pdf

Geef een reactie

Deze website gebruikt cookies. Door deze website te gebruiken gaat u hiermee akkoord  Meer info