
Vandaag sprak ik iemand aan, iemand met een titel die wat meer gewicht heeft dan de mijne. Niet dat ik veel belang hecht aan titels. Een titel is vaak niet meer dan een bordje op een deur waarachter dezelfde menselijke verwarring zit te dampen. Maar goed, een organisatie moet draaien, en blijkbaar heeft zij daarvoor bordjes nodig.
Veel werk had ik er niet mee. Bij die titel hoorde blijkbaar een goed werkende en geroutineerde glazen bol. Na vier of vijf woorden was het betoog dat ik had voorbereid, gedocumenteerd en onderbouwd al volledig begrepen. Wauw. Zoiets zou men in een organisatie moeten delen, desnoods achter glas.
“Ge hoeft niet verder te gaan, ik weet al wat ge gaat zeggen,” kreeg ik na enkele woorden te horen. “Maar ge moet ook serieus blijven…” Daarna volgde een berg argumenten en observaties, keurig opgestapeld boven op iets wat ik niet gezegd had.
Eerlijk? Die argumenten hielden wel ergens steek en de observaties waren, met enige toegeeflijkheid aan de realiteitszin, herkenbaar. Alleen hadden ze niets te maken met wat ik wilde vragen of duidelijk maken. Om niet te verzanden in een discussie over die observaties en argumenten, waar ik het overigens niet helemaal mee eens was, laat ik zeggen, helemaal niet, leek zwijgen mij voorlopig nuttiger dan beleefd verdrinken.
Ge kent dat wel, van die discussies over iets waarin ge zelf elke dag met uw eigen vuile voeten in staat, iets wat ge kent van vorm, zicht, geluid, gevoel en geur. En dan zit daar iemand tegenover u die hetzelfde kent van een vergadering, een samenvatting en een vooropgezet idee dat keurig vrijgesteld werd van realiteitszin, kennis van zaken en inzicht in de materie. Van zulke gesprekken wordt ge niet vrolijk. Ge kunt ze ook niet winnen. De modder kent de laars beter dan het tapijt.
Dus ik probeerde opnieuw en gaf aan dat ik het daar helemaal niet over wilde hebben. Integendeel, het ging over iets anders. En wat denkt ge?
“Ja, maar ik weet dat we uiteindelijk toch terecht gaan komen bij…” Voilà. Kortgesloten en vastgebonden. Gesprek gedaan. Dat moet toch iets geweldigs zijn, zo’n glazen bol. Ik vond er dus niets beters op dan te vragen:
“Mag ik hem eens lenen, gewoon, voor een dag?” De ander keek mij aan alsof ik plots Chinees sprak.
“Wat bedoelt ge?” kwam er, met een blik alsof ik zopas een dode taal had bovengehaald.
“Die glazen bol,” antwoordde ik. “Gewoon om eens te testen of ik ook vooraf kan weten wat anderen gaan zeggen. Dat zou pas een berg tijd besparen.” Maar het centje viel niet. Ik zag het in de ogen die mij aankeken met een soort degelijk, goedgekeurd onbegrip.
“Ik zou het waarderen,” verduidelijkte ik, “als ik zelf even mocht zeggen wat ik wilde zeggen. Wat gij denkt dat ik ga zeggen, is zelden wat ik wil zeggen. Het is niet fijn om niet gehoord te worden. Daar wordt een mens klein van, en ik was net zo tevreden met mijn formaat.” Ge ziet, ook ik kan beleefd uit de hoek komen wanneer de omstandigheden mij in een hoek zetten.
Enfin, tien minuten later was dan eindelijk duidelijk wat ik bedoelde. Dacht ik. Een mens klampt zich soms vast aan kleine dwalingen.
“We staan hier nu al een kwartier te praten en ik begrijp nog niet wat ge wilt zeggen. Kom eens terug wanneer ge dat duidelijk voor ogen hebt.”
Voilà. Als ik daar mijn les niet mee geleerd heb, dan ligt het niet aan het lesmateriaal. Communicatie eerste klas, eerst onderbreken, dan invullen, vervolgens niet luisteren en uiteindelijk besluiten dat de ander onduidelijk is.
Ik heb alles dan maar op mail gezet. Wie weet is die gelezen tegen dat mijn verlof voorbij is. Met een beetje geluk krijg ik tegen Kerstmis een vraag om meer uitleg. En wie weet, zo rond mijn pensioen, wordt er ook echt iets mee gedaan.