
Stel u voor: het huis van uw buurman staat in brand. In plaats van te helpen blussen, belt ge de politie en dient ge klacht in wegens overlast, omdat de wind de rook in uw richting blaast. Dat blijft ge stug volhouden, ook wanneer ge zelf al jarenlang brandhout over de haag hebt gesmeten en de eerste vonken kwamen aangevlogen van uw eigen barbecue.
Dat was ongeveer het gevoel dat ik kreeg toen ik las dat de man die van “drill, baby, drill” zijn lijfspreuk maakte, zijn buren niet wil helpen, maar wel een centje wil bijverdienen aan hun miserie. Nu ja, wat kunt ge verwachten van iemand die maandelijks een dementietest lijkt af te leggen en dan publiek stoeft over hoe slim hij wel niet is omdat hij het verschil kent tussen een giraf en een nijlpaard.
Maar toch. Zelfs voor een kerel die dagelijks een twintigtal infantiele leugens de wereld instuurt, zorgvuldig verpakt als natte kranten, is dit waanzin in de overtreffende trap. Ik schrijf er niet vaak over. Overdreven aandacht geven aan domheid doet de domheid meestal alleen maar groeien, zoals schimmel in een slecht verluchte kelder. Maar wanneer er criminele intentie achter zit, is het misschien nuttig om mijn ergernis toch even van de leiband te laten. Ze zal niets oplossen. Hoogstens mijzelf wat verluchten.
Neen, ik wil het niet hebben over de dwars gemonteerde idioten hier, die al jaren met de man lopen te dwepen alsof hij persoonlijk hun dakgoot heeft hersteld. Ze doen maar. Bovendien hoort ge ze niet meer zo hard roepen. Alsof de schok hen begenadigd heeft met een kruimel verstand, nu de werkelijkheid haar jas heeft uitgedaan. Het is altijd hetzelfde. Inzicht komt na de fout. Dat is menselijk en kan men hun vergeven, al hoeft men er niet bij te glimlachen.
Maar goed. Wanneer mensen komen aandraven met eenvoudige oplossingen voor complexe problemen, zou er al een alarmbel moeten afgaan. Niet zo’n beleefd belletje aan de voordeur, maar een roestige fabriekssirene. Het zijn steevast kleine brokjes waarheid die de grote leugen moeten camoufleren. En wij geloven ze. Wij kiezen voor die kiekens. Daarna staan wij met onze handen in de zakken te klagen over wat ze in de wereld hebben aangericht. Dat gebeurt ongeveer overal. De mens is internationaal in zijn dwaasheid.
We leven niet in vrolijke tijden. Jarenlang misbruik van de wereld en van elkaar duwt ons met flinke tred naar de afgrond. En wij zijn vertrokken in een zeepkist zonder remmen. Jammer dat die idioot dan nog rechtstaat om bij te trappen, omdat het vooraan blijkbaar nog niet snel genoeg gaat. Dat klinkt stoer. Ongetwijfeld zullen er altijd mensen zijn die, om te tonen dat zij geen angst hebben, beginnen mee te huilen dat het harder moet. Dat zijn dan dezelfde mensen die achteraf klagen dat zij het ravijn zijn ingestort omdat anderen wilden remmen. Een vinger is snel gewezen. Vooral door wie zelf stuurde.
En wat moeten we denken van zo’n kerel, die oorlogsmisdaden aankondigt in internationale media, die zichzelf verrijkt op kosten van de wereld, zonder zich iets aan te trekken van internationaal recht? Meer nog, die dat recht onrechtvaardig noemt en de rechters aanvalt wanneer ze niet buigen. De man breekt belofte na belofte, verkoopt leugens als ijs op een straathoek en wil zich met zowat alles bemoeien. Zijt ge tegen hem, dan zijt ge een dommerik, een leugenaar, een idioot, en krijgt ge het hele zakje dreigementen over u uitgestort. Men moet toegeven, hij is gul met vuil.
Maar erger nog, wat te denken van al die ‘goede cowboys’ in de wereld, onze leiders, die in plaats van stevig positie in te nemen tegen zulke types, hun hoed afnemen, hun laarzen poetsen en hopen dat er voor ons ook nog iets van tafel valt. Misschien noemen zij dat diplomatie. Misschien is het gewoon de kunst om verliezen te minimaliseren terwijl men doet alsof men beleid voert.
Ja, ik weet het. Het is een complex probleem en alles hangt aan alles vast, zoals nat wasgoed aan een draad. Maar wij wonen in de sterkste economie ter wereld, als wij in Europa tenminste aan hetzelfde zeel trekken. Wij zijn uiteindelijk de sterkste wereldmacht, als wij kunnen overeenkomen. Het rijkste deel van de wereld. Het gezondste ook. Maar ja, wij bakkeleien liever onder elkaar over de restjes en laten zelfzuchtige prima donna’s de baas over ons spelen, omdat wij, met die losgeslagen olifant, vooral ons eigen porselein willen beschermen in plaats van de olifant uit de winkel te jagen.
Het wordt misschien tijd dat wij leren elkaar te verstaan en als één blok naar buiten te treden. Om het te zeggen met de woorden van een Brits leider: “Together we stand, divided we fall.” Of, wat meer op onze leest geschoeid, wij kunnen onze kleine persoonlijke geschillen loslaten en samen overeind blijven, of wij kunnen blijven bekvechten over het geslacht der engelen en intussen met open ogen de afgrond in stuiken.