
Wij leven in een meritocratie, zeggen ze. Tenminste, dat houden goedbedoelende naïevelingen en slecht bedoelende mensen ons voor. Vooral dat soort dat boven op de berg staat en van daaruit uitlegt hoe mooi het klimmen is. Wat is dat dan, een meritocratie? Wel, zegt men ons, dat is een wereld waarin mensen beloond worden naar hun bijdrage, hun verdienste, hun nut voor het geheel. Wie weinig of niets bijdraagt, krijgt minder. Wie veel bijdraagt, krijgt veel. Het klinkt proper. Dat is vaak het eerste teken dat er ergens vuil onder ligt.
Dat is natuurlijk een krakende wagen. En daar wil ik het even met u over hebben, voor hij helemaal door zijn as zakt. Want wat is dat, bijdragen? Dat is al de eerste moeilijke vraag. Wie bepaalt welke bijdrage belangrijk is? Het volk, u en ik? Belange niet. Dat maakt men ons maar wijs, zoals men een hond wijsmaakt dat de riem er voor zijn eigen veiligheid hangt. Specialisten die er lang over nadenken? Al zeker niet. Bovendien zijn veel mensen die ons door de eeuwen heen werkelijk vooruit hebben geholpen in armoede gestorven, met koude voeten en een lege kast. Hun verdienste werd pas ontdekt toen zij er zelf niets meer aan hadden.
Het tweede krakende wiel is het idee dat iedereen gelijk is en gelijke kansen heeft. Ge weet zo goed als ik dat ook dat een illusie is. Ik heb absoluut niet dezelfde kansen als Messi en ben absoluut niet zijn gelijke. Eerlijk, ik zou nog geen goal maken als ik op een meter van de lijn stond en de doelman met zijn vrouw aan het bellen was. Ik kan niet sjotten. Ik zal het ook nooit leren. Op dat gebied is hij rijker bedeeld door de natuur dan ik. Ik ben daar niet bitter om. Ik stel alleen vast dat sommige wiegen dichter bij het doel worden gezet dan andere.
Of neem de medemens die geboren wordt als zoon of dochter van een miljardair. Heeft die gelijke kansen als een kind dat ergens ter wereld wordt neergelegd tussen honger, stof en oorlog? Neen. Natuurlijk niet. Het ene kind krijgt een sleutelbos in de hand gedrukt, het andere een lege kom. Men kan daar veel woorden rond zetten. De kom blijft leeg.
Een derde krakend wiel onder de meritocratie is dat zij de wereld kapot rijdt. Ik zou u daar een hele filosofische uitleg over kunnen geven, maar daar hebt ge evenveel aan als aan een kachel in juli. Laat het mij met een voorbeeld uitleggen. Stel dat wij mensen meer zouden geven omdat ze groot zijn. Stel dat “groter zijn” de verdienste was waarop de wereld haar beloningen uitdeelt. Wie twee meter haalt, zit bovenaan. Vanaf één meter tachtig zijt ge middenklasse. Wordt ge geboren met het potentieel van één meter zestig, dan is dat jammer. Ge moogt achteraan gaan staan bij de kruimels. Jammer maar helaas. De meetlat heeft gesproken.
Ik heb daar twee vragen bij. Vindt ge dat eerlijk? En begrijpt ge dat de kleinere medemens er alles aan zou doen om groter te lijken, om in leven te blijven en zijn dierbaren te onderhouden? Hakken onder de schoenen, kussens in de pet, rekbanken in de kelder, desnoods orthopedische chirurgie met schroeven, platen en een factuur waar ge zelf korter van wordt. Natuurlijk begrijpt ge dat. In dit absurde voorbeeld zoudt ge hen dat zelfs niet kwalijk nemen. Ge zoudt het systeem vervloeken en de meetlat tegen de muur slaan.
Maar kijk eens om u heen. Vervang groot door geld en ge hebt een vrij nauwkeurige beschrijving van het hok waarin wij leven. Hoe meer geld ge hebt, hoe langer ge wordt. Zo eenvoudig is het. Zet ge zichtbaar hakken onder uw schoenen, dan hebt ge een misdaad begaan. Dan komt men met regels, verontwaardiging en een klein hamertje om u weer kort te kloppen. Doet ge het onzichtbaar, met contracten, eigendom en slimme constructies, dan noemt men u geslaagd.
Doet ge het op een manier die niemand ziet, dan wordt ge een held. Om het nog erger te maken, hebben wij sommige manieren om langer te worden gelegaliseerd en zelfs verheven tot volkssport nummer één. Wij noemen dat ondernemen. Dat is een bezigheid waarbij ge, zo zegt men, “meerwaarde creëert”. In gewone taal betekent het vaak dat ge iets maakt, verpakt of verzint, en daarna genoeg mensen overtuigt dat zij het nodig hebben, liefst dringend, liefst vandaag nog, liefst op krediet. Dan wordt ge langer. Ge verdient een pak meer dan de rest. Die meerwaarde is de lengte die ge koopt, met andermans geld als mest.
Maar ge kunt het ook anders doen. Kunt ge goed lullen, dan kunt ge daar geld voor krijgen. Ge koopt iets, schuift het wat verder over de toonbank en verkoopt het voor meer. Winst noemen we dat, al is er geen gram waarde bijgekomen. Alleen het etiket is van hand veranderd en heeft onderweg gegeten. Ge kunt uw lengte ook erven, winnen of cadeau krijgen. En als ge het geluk hebt om hier in deze contreien geboren te worden, staat ge van bij de start al op een kist. Wij wonen in een van de rijkste streken ter wereld. Dat vergeten wij graag, omdat klagen makkelijker is wanneer ge op een stoel zit.
En toch houden wij vast aan dat dwaze idee van een meritocratie. Toch blijven wij geloven dat iedereen gelijke kansen heeft. Wij ploeteren hele dagen om enkelingen langer te maken. Blind voor wereld en werkelijkheid. Wij werken om onze boterham te verdienen en ondertussen de baas zijn tafel te laten doorbuigen. Wij geven ons geld uit aan dwazigheden, vakanties, gadgets en nutteloze rommel waarvan men ons heeft verteld dat wij ze nodig hebben. Wie daarachter zit, vragen wij zelden. Zolang het doosje glanst, knikken wij.
En laat ons niet vergeten, wanneer iemand tussen ons en onze ambitie komt, vervloeken wij hem. Wij jagen hem van ons erf, trekken de gordijnen dicht en worden kwaad omdat hij in de weg staat. Het zijn kleine mensen, zeggen wij dan. Mensen die onze lengte komen stelen. Alsof lengte ooit van ons was.
Zo, dat moest er even uit. Het schijnt goed te zijn voor een mens om aan het begin van de vakantie alle stress en zorgen los te laten. Niet dat het probleem daarmee is opgelost. Natuurlijk niet. De wagen kraakt verder, de meetlat blijft liggen en iemand boven op de berg legt alweer uit dat klimmen karakter vormt. Maar minstens heeft het mijzelf even deugd gedaan. Dat is binnen tien minuten weer voorbij. Voorlopig helpt het, als een pleister op een houten been.