
Soms moet ge stoppen met discussiëren. Niet uit wijsheid, dat zou te veel eer zijn, maar omdat het zinloos wordt. Ik merkte het opnieuw in de discussie over Gaza. Nu is het niet de eerste keer dat Israëlische vrienden mij vertellen dat ik geen recht van spreken heb. Niet omdat ik iets bijzonder doms zeg, al zal dat ook wel eens gebeuren, maar omdat ik, of andere niet-Joden, hun lijden niet heb meegemaakt. Duh. Dat is zowat het standaardantwoord aan iedereen die kritiek heeft op hun regeringsbeleid. Ze kunnen het, wat mij betreft, in hun out-of-office zetten. Dat spaart bandbreedte en misverstand.
Het blijft een mager excuus om onmenselijk handelen recht te praten. Ons is onrecht aangedaan, dus wij mogen nu hetzelfde doen met anderen. De logica van kleuters op een speelplaats, maar dan met vlaggen, checkpoints en dode kinderen erbij. Ik heb een nieuwe spreuk boven mijn bureel gehangen: “Qui intellegere non vult, non intelleget.” Dat wil zoveel zeggen als, wie het niet wil begrijpen, zal het niet begrijpen. Latijn helpt niet, maar het staat netter dan vloeken op karton.
De discussie naar aanleiding van het stuk over de nederzettingen in Gaza was online vrij stevig. Via mail en chat werd ze nog wat harder gevoerd, zoals mensen pas echt dapper worden wanneer er glasvezel tussen hen en een ander mens ligt. Een zinloze discussie overigens. Waar ik sprak over fatsoen en menselijkheid, begonnen zij over misdaden van een ander, alsof de zonde van buurman A automatisch een vergunning is om buurman B de schedel in te slaan.
Ik kies geen kant. Of, als ge dat liever hebt, geen kamp. Ik weet niet wie historisch het grootste gelijk heeft, en eerlijk gezegd begint die discussie vaak te lijken op het tellen van engelen op een speldenkop, terwijl er naast de tafel iemand ligt te bloeden. Niemand heeft daar wat aan, toch niet op het terrein. Voor mij begint de eerste discussie bij de mensen en bij het oeverloze leed dat wordt aangericht door wie alleen nog zijn eigen belang dient. Als wij dat ooit opgelost krijgen, kunnen we daarna rustig de vitrinekast met grote gelijkheden afstoffen.
En ja, die kerels zitten aan beide kanten. Maar wat maakt dat uit wanneer uw kind doodgeschoten wordt, uw huis afbrandt of uw ouders worden neergeknuppeld? Denkt ge op dat moment werkelijk dat het belangrijk is om geschiedkundig in uw recht te staan? Of wilt ge dan een hand, water, hulp, iemand die niet eerst in een voetnoot gaat zoeken of uw verdriet wel geldig is? Wat menselijkheid lijkt mij op zo’n moment zinvoller dan een debat over wie het oudste gelijk in de kast heeft liggen.
Ik heb er genoeg van, van mensen overal te velde die hun gelijk willen halen en bewijzen, zonder één blik op de schade die ze onderweg aanrichten. Van waar ze ook komen, ik hoef ze niet. Ik kan ze toch niet doen nadenken. Ze staren blind naar hun gelijk, alsof het een zon is waar men recht in moet kijken tot de ogen verbranden. En ze zien niets of niemand nog. Ze lopen zo ver verloren dat ik vrees dat ze de weg naar menselijkheid nooit meer zullen terugvinden. En dat zou best eens erger kunnen zijn dan al dat leed. Dat er nadien niemand meer overblijft die nog weet waarvoor schaamte diende.
Ik stel voor dat we een wekelijkse therapiesessie organiseren voor al wie zijn gelijk belangrijker vindt dan het leed dat in naam van dat gelijk wordt veroorzaakt. Gewoon: mensen helpen de weg terug te vinden naar wat het kan betekenen mens te zijn. Los van verschillen de eenheid zoeken. Dat blijkt een zeer moeilijk begaanbaar pad. Er groeit veel struikgewas. En hier en daar staat iemand met een vlag te zwaaien alsof dat helpt tegen de doornen.
Misschien moeten we daar eens een soort GPS voor uitvinden. Eén die niet naar het grote gelijk leidt, maar naar de mens eronder. Al vrees ik dat sommigen zelfs dan nog kwaad zullen worden op het toestel, omdat het weigert hen langs de kortste weg naar hun eigen gelijk te brengen. Qui intellegere non vult, non intelleget.